is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 14, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paalde groepen hoe belangrijk die overigens ook mogen zijn het belang van het volk als totaliteit staan. Want het bestaan van de deelen hangt af van het bestaan van het geheel en niet omgekeerd.

Hiermede drukken we reeds een bepaalde beschouwingswijze uit n.l. de volkse,he. Voor we hier verder op ingaan, houden we ons eerst nog bezig met de menschbeschouwing, want de opvatting omtrent het wezen van den mensch bepaalt de wereldbeschouwing voor een groot deel en daarmede het doel van de opvoeding. Zonder te ver uit te wijden, ga ik uit van den mensch als grenswezen, waarmede bedoeld wordt, dat de mensch op de grens staat van twee werelden : de ervaarbare wereld, het „diesseitige” en het buiten de ervaring liggende „jenseitige”.

Deze positie van den mensch is zijn zeer bijzondere, waardoor hij zich van alle andere levende wezens onderscheidt, want alleen den mensch is het gegeven het maakt het kenmerkende van zijn zijn uit bewustzijn te hebben, zich dus bewust te zijn van zijn zijn, logische, ethische en aesthetische waarden te kennen, kortom, de ervaarbare stoffelijke wereld te overschrijden. De vraag of juist door dit overschrijden hij tot zijn eigenlijke zijn komt, is een moeilijke vraag, ook al, omdat in de algemeene crisis der zekerheden het menschelijke zijn begrepen is, ja het probleem van het menschelijke zijn weer in het brandpunt is komen te staan.

Maar juist door het onderzoek naar het zijn des menschen is als kenmerkende en principieele eigenschap zijn mogelijkheid tot transcendentie meer dan ooit bewust geworden.

En dit is juist van het grootste belang; immers in onze materialistische wereld, waarin de beheersching der materie de eenige taak scheen, is het een kleine stap geweest den mensch ook als deel van deze materie op te vatten en als niets meer. Dit te meer, waar de beheersching der materie afhankelijk bleek van de mechanische natuurwetenschappen en naarmate de successen hiervan toenamen, de roep luider werd om ook het menschelijk zijn onder deze wetten te stellen. Als voorbeeld geven we den strijd tusschen determinisme en indeterminisme, wat een strijd is tusschen de aanvaarding van het principe der mechanische natuurwetenschap bij de menschelijke handelwijze en de niet-aanvaarding van dit principe. Als ander voorbeelwl moge gelden

de mechanische psychologie, waardoor het leven uit den mensch verbannen werd en hij verlaagd werd tot een zielloos mechanisme. Toen onder invloed van Di 1- th e y tegenover de natuurwetenschappen de geesteswetenschappen gesteld werden, was daarmede de weg gebaand om over de aanvaarding van het leven als het nietalleen-mechanische heen, het menschelijke zijn opnieuw te beschouwen.

Zoo gaan we dus uit van de menschbeschouwing, dat de mensch als burger van de ervaarbare, stoffelijke wereld onderworpen is aan de wetten, die voor deze wereld gelden, dat hij als zoodanig onderworpen is aan de wetten der causale natuurverklaring en dat inzooverre het determinisme ook voor den mensch geldt. Ook, dat de mensch het gesteld-zijn in, en het gegeven-zijn van de stoffelijke wereld, waarin hij geplaatst is, te aanvaarden heeft. Want al is het mensch-zijn hierdoor niet volledig bepaald en doet de vraag zich voor, of zijn mensch-zijn door zijn bestaan in de stoffelijke wereld wel zijn diepste zijn raakt, in ieder geval blijkt dit laatste afhankelijk van het eerste.

Het voorafgaan van zijn bestaan houdt dus niet in, dat het bestaan geen hoogere ordening kent.

Want de mensch is meer. Hij heeft, zooals we zagen, ook de mogelijkheid buiten de stoffelijk-ervaarbare wereld te treden, althans de grens hiervan te overschrijden en als zoodanig niet meer onderworpen te zijn aan de wetten, die voor deze stoffelijke wereld gelden.

In zooverre komt het indetermi- J nisme recht toe, omdat het menschelijke zijn dus niet volledig bepaald is door het deterministische mechanisme, maar ook vriiheid kent.

Wanneer Kant den mensch zag, als „Erscheinung” en als „Ding an sich”, zoo hadden de begrippen vrijheid, onsterfelijkheid en God betrekking op het laatste, wij zouden zeggen op het eigenlijke menschelijke zijn.

Moet de mensch dus beschouwd worden als burger van twee werelden, dan volgt daaruit voor zijn voorbereiding tot mensch, dus voor de opvoeding, een tweeledig doel:

I. Hem voor te bereiden voor zijn taak als deel van deze stoffelijke wereld, geplaatst als mensch te midden van zijn volk. Als deel van deze wereld, als deel van de historisch gegroeide volksgemeenschap moet hij zich zelf leeren zien; hij moet zich bewust worden van de plichten, die hieruit voortvloeien.

Is dit bewustzijn aanwezig en heeft hij dus een bepaalde beschouwingswijze van de wereld, van de volksgemeenschap, waarvan hij zich dan deel weet, dan heeft hij een bewuste wereldbeschouwing.

Deze taak komt toe aan den Staat, als vertegenwoordiger van het geheel, zonder welken het individu, als deel, niet bestaan kan.

2. Hem voor te bereiden tot zijn eigenlijke zijn, waardoor hij zich bewust wordt deel te hebben aan het boven-tijdelijke en bovenruimtelijke zijn, aan God. Is dit bewustzijn aanwezig, en heeft hij dus een bepaalde beschouwingswijze van het „Jenseits” en van zijn verhouding hiertoe, dan heeft hij een bewuste geloofsopvatting. Deze taak komt toe, als religieuze opvoeding, n.a. aan de Kerk.

In tegenstelling met de eerste taak, die voor alle leden van een volk dezelfde is, n.l. de bewustwording van zijn volksche wereldbeschouwing, dus van de wijze, waarop het stoffelijk bestaan, de wereld opgevat wordt, binnen de grenzen van het volk, waarvan hij deel is, laat de tweede taak principieel verschillende beschouwingswijzen toe, omdat het hierbij gaat om de bewustwording van het meest eigene zijn in verhouding tot het boventijdelijk en bovenruimtelijk zijn, tot God, en deze verhouding kan niet anders dan principieel een eenmalige zijn, d.w.z. een strikt persoonlijke.

Daar waar deze persoonlijke verhouding haar uitdrukking vindt in éénzelfde religieuze gemeenschap, binnen éénzelfde volk, zal dit de eenheid van het volksbestaan zeer ten goede komen. Daar waar dit niet het geval is, zullen de religieuze uitingsvormen echter nooit de eenheid van het volk mogen aantasten, want de gemeenschap volk, de volksgemeenschap, gaat als totaliteit boven de deelbelangen, welke deze ook mogen zijn, uit; dit te meer, waar de tweede taak der opvoeding principieel niet betrekking heeft op de wereld, op het „diesseitige”, maar op het „jenseitige”. Dat dit in de periode, die thans achter ons ligt, maar al te zeer vergeten is, heeft de volksgemeenschap aan den lijve ondervonden, zoo zelfs, dat ontbinding, en daarmede vernietiging van de Europeesche volksgemeenschappen gedreigd heeft. Al is het te begrijpen, dat door verschillende geloofsstandpunten ten aanzien van de wereld, als arbeids-