is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 16, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Trekken en duwen uit den kring.

In een kring van 3—4 m middellijn staan twee leerlingen tegenover elkaar en trachten door trekken en duwen den tegenstander uit den kring te dringen. Wie met den voet buiten den cirkel komt heeft verloren. Ook toe te passen als partijkamp in grooteren cirkel met partijen van 2 of 3 spelers.

c. Vos en kippen.

Van B—lo spelers is er één vos en één kip, de overigen kuikens. De laatsten staan in een rij achter de kip, waarbij ieder rijn voorman om de middel pakt. De vos tracht een kuiken te vangen, de kip daarentegen beschermt door uitgespreide armen en bewegingen de kuikens, die, zonder los te laten, de bewegingen van de kip meemaken.

7. Oefeningen aan werktuigen. Vooral geen „toesteloefeningen” in den zin van vast omlijnde bewegingsvormen, zooals tot op heden dikwijls gebruikelijk was. De toestellen dienen als hindernis, waaronder, over, langs of tegen geklommen en geklauterd wordt, zonder dat daarbij een bepaalde bewegingsstijl wordt geëischt. –

a. gaan, loopen, loopen op han-" den en voeten, en kruipen,. over de lange bank of over de evenwichtslat.

over de schuin , tegen het wandrek of tegen brug of rekstok geplaatste bank.

b. klauteren over laaggestelde bruggen, rekstokken, paarden of ladders op vrije wijze.*

c. klimmen op alle toestellen, en middelhoog gesteld, ook verbonden met af springen (dieptesprong), klimmen aan klimpaleh.

d. op verschillende wijzen op- en afspringen aan banken en evenwichtslatten en aan laag geplaatste toestellen.

8. Vrije- en steunsprongen oner vaste hindernissefl.

a. Springen over het _ springlijntje en over stokken, die door medeleerlingen op heuphoogte worden gehouden. b. Vèr- en hoogspringen. c. Verspringen van dg eene mat op de andere.

d. Raamspringen (tusschen twee springliintjes door). .e. met steun der handen springen over horizontaal of schuin gestelde banken of zeer laag gestelde ladders.

ƒ. loopspringen op banken, verder loopen en neerspringen (in ’t bijzonder een veérkrachtigen neersprong beoefenen),,

B'. SPELEN

a. Loopspelen.

I. Zuivere loopspelen.

Wedloop in rechte baan. Wedloopen in kring. Blok- of halterrapen. Kom mee.

Nummerwedloop. – Allerlei vormen van krijgertje. Vischnet.

2. Spelen, welke een sterkere geestelijke deelname vereischen.

Kat en muis.

Geen plaats meer. Twee (drie) is te veel.

. 3. Spelen, die yoeren naar het partijspel.

Schaar loop uit. Zwarte man. Dag en nacht.

b. Werpspelen. _ Werp- en vangspelen met kleine en groote ballen, gericht op het ontwikkelen van; *

I. Zekerheid in het werpen en vangen. ’

Over en weer werpen. Werp door in kring. Fophal. Inhaalbal.

Bal jacht. Tijgerbal.

2. Trefzekerheid.

Bal over de streep. Stabal.

Doelbal (twee gelijke partijen werpen op een aantal tusschen hen in gestelde doelen, bv. knotsen. Wie er het meeste omgooit, wint).

3. Groote worplengte. Grenswerpbal.

c. Partijspelen. I. Gréhsbal.

2. Trefbal in twee vakken. 3. Rooverbal.

Het speelveld wordt aangepast aan den leeftijd der leerlingen. Aan beide zijden een doel. De partijen tellen tot elf spelers; er wordt gespeeld met een grooten luchtbal of medicijnbal. Het is de taak van beide partijen,'den bal in het vijandelijke doel te werken. Om den beginworp wordt geloot, na een doelpunt heeft. de verliezende partij beginworii. De bal mag geworpen, gerold of gedragen worden, doch niet met de voeten geschopt. Wie in het bezit is van den bal, mag worden tegenffehouden en door een greep om de heupen op den grond worden gegooid. Wordt de bal óver de riiliin gegooid of gedragen, dan heeft de tegenpartii inworp. Gaat de'hal over de 'achterliin (doelliin), 'dap werpt de doelverdedi'ger uit.

C. ZWEMMEN, WANDELENEN WINTERSPORT.

I. Baden en gewenning aan het water.

Dit dient als voori>ereiding voor het leeren zwemmen. Allereerst moet daartoe de watervrees worden overwonnen. Hiertoe kunnen dienen allerlei spelletjes, die de kinderen op het land geleerd' hebben, zooals wedloopen, kom mee, vischnet, kat en muis, drie is te veel, zwarte man, krijgertje spelen en ook balspelen, zooals stabal, inhaalbal enz.

Door dit alles wordt het kind vertrouwd met het water en kent het later, als de eigenlijke zwemoefeningen beginngn, geen vrees om op het water te gaan liggen, het hoofd onder water te bre«gen enz.

Ook het springen in het water vanaf den kant kan worden geoefend.

a. Wandelen.

De schoolwandelingen gedurende de uren, uitgetrokken voor lichainelijke opvoeding worden geleidelijk opgevoerd tot een duur van 2—4 uur. Het wandelen komt bv. in aanmerjcing des winters als het zeer koud is en er geen oefenlocaliteit ter beschikking staat.

3. Wintersport. 'Bij sneeuw of ijs dient onmiddellijk van de omstandigheden geprofiteerd te worden door het organiseeren van groote sneeuwbalgevechten tusschen twee partijen, door het doelwerpen met sneeuwballen op een vooraf klaargemaakt doel (sneeuwman). Tiet sleden van niet te steile hellingen of door schaatsenrijden. Een dergelijk uur, besteed aan wintersport, kan volledig in de plaats van een gymnastiek- of sportles komen.

11. KNAPÈNLEEFTIJD (10— jaar; 5e—6e klasse L.S., le—2e klasse M.S. of U.L.0.-school),.

De lichaamsoefeningen voor dezen leeftijd worden gebaseerd op; I°. de ontplooiing van alle krachten, welke tengevolge van den verlangzaamden lengtegroei vrijkomen,

2°. het groeiende begrip voor den bewegingsafloop, indien de beweging gericht is op het bereiken van ëen reëel doel, 3°. moed en wilskracht, 4°. den drang naar het verrichten van groote prestaties.

De lichaamsoefeningen kunnen in drie groepen worden verdeeld; A. Turnen ei?"sport. I. Algemeene lichaamsscholing.

2. Gaan, 3. Loopen. 4. Springen.