is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 18, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De intellectueel en onze tijd

Slot pag. 7 van No. ly

Wanneer het nationaal-socialisme voor alles den modernen, ontwortelden, ongehorgen mensch zijn geborgenheid en daarmede zijn zekerheid terug wil geven, hem daarmede verlossen wil van zijn levensen doodsangst, dan zal het noodzakelijkerwijs die principes moeten opgeven, ja bestrijden die tot het type van den modernen massamensch en arbeidsslaaf geleid hebben. We denken speciaal aan zijn ongebonden vrijheid, aan zijn principieele gelijkheid, aan zijn democratische rechten, aan zijn inhoudloos en rassenloos internationalisme, aan zijn minachting voor den arbeid.

Of het nationaal-socialisme dan alleen de nieuwe binding (religie) tot stand kan brengen?

Hierover is intellectueel lang te redeneeren, doch de vraag is te belangrijk en te urgent, om er zoo maar aan voorbij te gaan.

Over de liberalistische mogelijkheid hoeven we niet veel te zeggen. Het liberalisme, dat ieder vrij laat en zelfs, formeel als het is, geen eigen inhoud heeft, onttrekt zich principieel aan iedere beslissing; waar het in onzen tijd juist om de beslissing gaat, kan het liberalisme nooit oplossing zijn.

Hoe staat het met de binding (religio) door het geloof (religie)? Reeds het feit, dat de middeleeuwsche samenleving geheel beheerscht werd door deze binding, dat het begrip der binding (religio) in het woord religie universeele uitdrukking vond, wijst er op, dat het geloof ten aanzien van de gebondenheid en geborgenheid en dus van de zekerheid des menschen uiterst belangrijk is.

De grootste moeilijkheid wordt echter duidelijk, als we bemerken, dat er geen universeel geloof is; zelfs geen eenheid binnen het christelijk geloof. Wanneer van hèt Christendom gesproken wordt wekt dit onvervulbare verwachtingen van eenheid en overeenstemming. Waar woedt de strijd echter feller dan binnen hèt Christendom, dan tusschen de verschillende christelijke geloofsstandpunten; waar laaien de hartstochten hooger op?

Is het niet, alsof de laaiende vlammen der eens opgerichte brandstapels nog haar schijnsel in onzen tijd werpen? Waar loopt deze in de „vrijheid des geestes” wortelende verdeeldheid van het geloof anders op uit dan op onderlingen strijd, in de eerste plaats om de jeugd?

Dit te meer, waar de verschillende geloofsstandpunten ten aanzien van deze wereld een positievere houding zijn gaan innemen en deze wereld meer als arbeidsterrein beter: als invloedssfeer beschouwen.

Waar loopt dit alles anders op uit dan op politieken strijd, zoodat de z.g. christelijke geloofsstandpunten evenveel politieke partij-standpunten worden?

Bovendien wordt een zeer belangrijk deel der menschen door geen enkel christelijk geloof sstandpunt meer beroerd en blijkt het steeds onmogelijker om de jeugd eenige religieuze binding te geven. De oorzaak hiervan aangeven is thans niet ter plaatse; dat echter ook de onwaarachtigheid der christelijke politiek en der christelijke kerk op den duur funest moest werken, staat vast.

De grootste moeilijkheid is evenwel en het vormt het tragische karakter van de christelijke kerk en van den christen —, dat hij volgens zijn geloof pessimistisch ten aanzien van deze wereld moet zijn, maar, als modern mensch, zich steeds meer deze wereld toewendt.

Of hierdoor een tegenstelling tot uiting komt tusschen het christelijk geloof en de Germaansch-Nordische ziel is een vraag, die in de toekomst aan belangrijkheid zal winnen.

Naarmate echter de christelijke geloofsstandpunten meer tot politieke-partij-standpunten verworden, zien we de nationaal-socialistische Wereldbeschouwing meer tot nieuwe binding (religie) worden. Dat daardoor de verschillende christelijke kerken zich gedwongen zullen zien zoowel haar houding tot het nationaal-socialisme als tot eigen wezen opnieuw te bepalen, spreekt.

De volksverbondenheid, de gebondenheid aan bloed en bodem, de aanvaarding van het leidersprincipe, d.w.z. van het aristocratisch irrationalisme, het zijn evenveel principes.

die door het rationeele intellectualisme bestreden worden onder de meest idealistische bewoordingen, door hetzelfde intellectualisme, dat de middeleeuwsche binding door zijn rede bestreed en ophief en thans ook de nieuwe binding bestrijdt, de nieuwe binding, die, als elke binding, niet rationeel kan, maar irrationeel moet zijn.

Is echter „hèt” christelijk geloof niet in staat de nieuwe, algemeene binding te geven hetgeen reeds door de praktijk bewezen is en steeds opnieuw wordt zoo blijft nog slechts aan de nationaal-socialistische wereldbeschouwing de uiterst belangrijke taak: den ontwortelden, ongebonden, onzekeren mensch weer zijn geborgenheid en zekerheid, maar nu vanuit eigen aard, te geven.

De bestrijding begint meestal hiermede, dat de wereld, die de eenige werkelijkheid geworden is, beheerscht dreigt te worden door het bloote levensproces, door rasbewustzijn, door emoties, instincten en driften en geen hoogere geestelijke ordening meer kent; de machtswil alleen bepaalt de verhoudingen in dit leven; voor geen redelijk inzicht of zedewet, voor geen verantwoordelijkheid of individueele beslissing zou plaats zijn; inplaats van den objectieven geest heerscht het brute geweld en daarmede worden alle christelijke waarden eenvoudig verloochend; inplaats van het christelijke : liever onrecht lijden dan onrecht doen, treedt weer het: oog om oog, tand om tand ; kortom : de individueele, verantwoordingsvolle ziel, die in de massa ten onder gaat, wordt gedwongen de boven tijd en ruimte uitgaande waarden te verloochenen, of anders voor volksverrader gekreten te worden, zoodat leven en geest onvereenigbaar blijken ep de mensch, inplaats van Gods schepsel en belofte te zijn, tot bloot natuur-zijn en feitelijkheid „terugvalt” en daardoor zijn „zending” moet opgeven.

Inderdaad staat er voor den zoo argumenteerenden intellectueel, die één zijde van zijn „zijn” en dan op déze wijze ziet, deze waarden voor zijn „geest” opeischt, geen anderen weg open, dan tegenover alles, wat nationaal-socialisme heet, fel en afwijzend te blijven staan.

Hij kan, zonder zijn hoogste idealen op te geven, zonder zijn menschzijn te verloochenen en, wat hij noemt, daarmede geestelijken zelfmoord te plegen, geen afstand doen van „den objectieven geest”, waaraan hij deel heeft.

INHOUD:

De hoogste tijd – De intellectueel en onze tijd – Wijsgeerige scholing – Lichamelijke opvoeding, ontwikkeling en ontspanning – Het onderwijs in den nieuwen tijd – Heemkunde – Gezondheidszorg bij den Nationalen Jeugdstorm – Gildenieuws – A.V.L.O.N.