is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 28, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPVOEDING nri__ VOLKSCHEM GEESf

ORGAAN VAN HET OPVOEDERS GILDE

No. 28 2e ]rg. 3 Grasmaand (April) 1943 Verschijnt eiken Zaterdag

Uitgave: NENASU, Postbus 58, Utrecht, Telef. 11851 – Giio 407915 t.n.v. Volk en Vaderland

Hoofdopsteller: W. Th. de Boer ♦ 's-Gravenhage Opstelraad:

Dr. G. de Gelder en Dr. W. F. de Groot Secretaris van den Opstelraad: Dr. F. Breedvelt,

Jozef Jsraëlslaan 46 ♦ 's-Gravenhage Oiganisatoi; I. T. van Eelen ♦ 's-Gravenhage

'Ssdaddm ooDh oahnimwinq

van hel voorbereidend hooger en middelbaar onderwijs

De opvoeding in de school is een deel van de totale opvoeding van de jeugd in nationaal-socialistischen, volkschen zin. Het doel van deze totale jeugdopvoeding is de vorming van dien nieuwen mensch, die in staat is en bereid, zich verantwoordelijk te stellen voor de toekomst van het nieuwe Nederland in het nieuwe Europa. Hiervoor is het . noodzakelijk, dat in iederen jeugdigen volksgenoot die deugden in de sterkste mate worden ontwikkeld, die in den mensch van het Noordras in aanleg ruimschoots voorhanden zijn en welker bezit eén voorwaarde is voor dezen \ clkscben inzet: de moed, de trouw, de openhartigheid en de’ eenvoud. Ook de opvoeding in de school moet dus voornamelijk op dit doel gericht zijn en onder geen voorwaarde hiermede in tegenspraak zijn. Hier ligt de grond, waarom juist onder ons, nationaalsocialisten, die zoo diep doordrongen zijn van ons gesteld zijn in een voor ons aller toekomst .beslissende tijdswende, zoo krachtig wordt gepleit voor een jeugdopvoeding, waarbij de vorming van het karakter op den voorgrond staat. Daarnaast moet worden erkend dat ook in andere kringen reeds sinds jaren dit als de grondfout in ons onderwijs werd gezien, dat het zich te weinig of in ’t geheel niet richtte op de karaktervorming en in plaats daarvan leed aan een zeer sterke mate van intellectualisme. Reeds in 1875 sprak Nicolaas Beets bij de aanvaarding van het hoogleeraars-* ambt te Utrecht over „karakter,

karakterschaarschte en karaktervorming”. In het rapport-Bolkestein vinden we hetzelfde leidend beginsel en iii alle publicaties die vernieuwing voor het onderwijs beoogen kan hetzelfde worden gezegd, Hun streven was echter tot mislukking gedoemd, daar zij er niet in konden slagen een algemeen geldenden norm voor hun karaktervorming te vinden. Veelal begreep men niet, dat dit streven naar een school, die karaktervorming vooropstelt, onvereenigbaar is met de zoo hoog geroemde neutraliteit op het gebied van de- wereldbeschouwing; wilde men deze neutraliteit handhaven, dan was men niet meer in staat een duidelijk opvoedingsideaal als norm te stellen, waardoor de geheele vernieuwingsgedachte in de lucht moest komen te zweven. Anderen, die de neutraliteit verwierpen, stelden daar tegenover een opvoedingsideaal, dat, zooal niet op een groeps- . belang, dan toch op een groepsovertuiging gebaseerd was. Wel werd hierdoor zulk onderwijs eenvormiger, maar ons volk werd erdoor verscheurd en stukgeslagen.

Dit is' in het huidige tijdsgewricht ontoelaatbaar: de verscheldenheid der wereldbeschouwingen willen wij als een gegevenheid aanvaarden, al_ betreuren wij haar; nimmer mag zij echter in ons volk een onbloedige burgeroorlog doen ontstaan, die voor de volkseenheid een doodelijk gevaar zou beteekenen. Daarom, omdat wij willen, dat ons volk zal leven, stellen wij een opvoedingsideaal, dat, bij alle ver-

scheidenheid van overtuiging, de geheele opvoeding kan omvatten: de volksgemeenschap. De strijd die wij voeren tegen het intellectualisme in de school is tegelijk een strijd voor een levensharmonie, waarbij dn gehééle mensch, als cel van het organisme, dat de volksgemeenschap is, wordt beschouwd. Onder intellectualisme verstaan we een veel-weterij, eën inpompen van een volkomen nuttelooze collectie feiten en feitjes op de meest uiteenloopende gebieden, voor den specialistvakgeleerde dikwijls van groot belang, maar in den geest van het kind slechts aanleiding en oorzaak van een hopelooze verwarring; er ontstaat zóó „niet een organisch opgebouwde wereld van voorstellingen en begrippen, maar een zuiver mechanisch bijeengebracht feitenallegaartje” (Prof. Dr. Jan de Vries in de „Tel.” van 5 Dec. 1936).

Prachtig en kernachtig heeft de Leider dit eens uitgedrukt toen hij sprak van „hoofden, gevuld met omgevallen boekenkasten”. Dit inpompsysteem heeft geleid tot een overlading der leerstof, een overspanning der exameneischen en dit heeft den leeraar, die opvoeder moest zijn verlaagd tot een doceermachine. Nu zouden velen wellicht geneigd zijn, dit euvel der overlading te verhelpen door over de geheèle linie de exameneischen naar beneden te schroeven. Het lijkt zoo eenvoudig: waarom zou men niet met de stof, die nu. (voor het Gymnasium) in de eerste 5 en (voor de H. 8.5.) in de eerste 4 klassen