is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 28, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VASTE MEDEWERKERS G. A. Aalderink Dr. M. O; Albers

Prof. Mr. L. J. van Apeldoorn Dr. D. A. G. Bruggeman J. Buitenwerf Prof Dr. H. M. de Burlet Drs. J. van Daalen

Dr. H. Duif er Drs. A. J. A. Etman J. C. Fey Prof. Dr. Mr. R. van Genechten

Th. Heeg Dr. H. Hielkema Ir. G. E. M. Janssen Mevr. J. de Jong—Snijders v. Wissekerke

Dr. A. C. de Koek L. Koning A. Kooymans

Prof. Dr. H. Krekel D. van Langen C. Lieuwen

J. M, van der Lijke Dr. Th. J. F. Mattaar R. V. d. Mei Dr. L. Mes

Dr. A. F. Mirande Dr. H. Petersen

C. H. J. Raad J. E. van Renesse H. Rutgers F. van der Sluis

L. M. van der Sluys Dr. J. Smit Prof. Dr. G. A. S. Snijder W. Terpstra

Dr. H. V. d. Upwich Dr. Ir. J. J. Valkenburg Ir. J. R. G. de Veer

G. F. Vlekke J. Flentge Prof. Dr. J. M. Geerts J. H. G. Hermens

Prof. Dr. J. Jeswiet Drs, J. Lammertse Dr. H. Roos J. D. de Ruyter

G. Schuitemaker Ing. G. Schuurmans Stekhoven

INHOUD:

Gedachten over vernieuwing van het voorbereidend hooger en middelbaar onderwijs – Vaste medewerkers – Het Gymnasium – Opvo.eders in gestichten – De invloed der erfelijkheid, gezien vanuit een paedagogisch-psychologisch standpunt – Boekbespreking – Spreekuren – Gildenieuws – A.V.L.O.N.

Het Orgaan wordt kosteloos toegezonden aan de leden van het Opvoedersgilde. Voor niet-leden bedraagt de abonnementsprijs ƒ5,— per jaar; losse nummers ƒ0,12. Alle stukken voor den Opstelraad te zenden aan den Secretaris. Advertenties voor het orgaan 20 ct. per mm regel. Advertenties in te zenden : Drukkerij v/h L. E. Bosch & Zoon, Oudegracht 172-176, Utrecht, Tel. 15927.

geëischt wordt, tevreden kunnen zijn, deze over 6 en 5 jaren verdeelen en deze kennis als norm stellen voor het eindexamen? Wel geeft de splitsing in A- en B-afdeelingen moeilijkheden, maar die zijn wel te overwinnen en men heeft zijn doel bereikt: in plaats van de veel-weterij is een minder-weten gekomen, En om nu niet geheel weerloos te staan tegenover het voor de hand liggend verwijt, dat men slecjits afgebroken heeft en niets opgebouwd, zal men dan wel bereid zijn de vrijgekomen tijd te besteden aan een vermeerdering van het aantal lessen Lichamelijke Opvoeding (nog altijd Lich. Oefening geheeten), wellicht zelfs aan invoering van een leervak: politieke vorming. Nu is dit laatste zeer zeker van groote waarde en zoodra de omstandigheden het toelaten, zal dit vak op de lesroosters moeten verschijnen; op de moeilijk te overschatten beteeke-

nis van de Lich. Opvoeding, juist voor de is al zoo dikwijls gewezen, dat een herhaling hiervan overbodig is. Toch geloof ik, dat, niettegenstaande deze beide zeer zeker positieve elementen, het volgèn van deze methode .rampzalige gevolgen zou moeten hebben voor onze geheele cultuur. Men zou het kwaad der overlading verbannen, maar een „organisch opgebouwde wereld van voorstellingen en begrippen” zou zeker niet ontstaan, de wanorde der omgevallen boekenkasten zou worden geprolongeerd, alleen zou de feitenkennis geringer en dus, daar alle vakken hun offer hebben moeten brengen, bij een gelijk gebleven breedte nog aan diepte inboeten. De oplossing zal ongetwijfeld moeten worden gezocht in concentratie van vakken en vermindering van het aantal. Hierover een volgend maal. H. HIELKEMA

(Bymnaeium

Het gymnasium draagt zijn naam wel zeer ten onrechte. Van een sport- en lichaams-oefeningschool, wat het voor de Grieken was, heeft het bij ons schijn noch schaduw. Zoolang ik ■er leeraar aan ben, en dit is nu bijna 40 jaar, heb ik nimmer begrepen, waarom zijn oude benaming van Latijnsche school door die van gymnasium vervangen is, tenzij dat daarmee het Grieksch in de rij der vakken op de eerste plaats gezet werd, wat niet belette, dat het Latijn toch de voornaamste plaats bleef innemen. Is er wel eens ooit over geredetwist, of het niet raadzaam zou zijn de studie der klassieke talen met het Grieksch te beginnen en met het Latijn eerst aan te vangen, wanneer het Grieksch eenige jaren beoefend is? In werkelijkheid heeft het Latijn steeds-zulk een voorsprong op het Grieksch gehad, dat er wel al ernstig sprake was van afschaffing van het laatste onder het motto: ~beter een geampufeerde dan een doode patiënt”, maar dat het bij niemand een punt van overweging heeft uitgemaakt bet Latijn hiervoor in aanmerking te laten komen. Ging het hierbij steeds om de eerste of tweede plaats, de Asschepoester onder de verplichte leervakken is tot op den huidigen dag de Lichamelijke Oefening gebleven. Aan'het gymnasium waaraan ik verbonden ben, vindt de daarvoor aangewezen leeraar het niet eens noodig de schoolvergaderingen zoowel die tijdens, als die welke aan het eind van den cursus worden gehouden, bij te wonen en

zijn cijfers daar toe te lichten die trouwens, gelijk in dergelijke gevallen altijd opgaat, omgekeerd evenredig zijn aan de belangstelling, welke aan het vak betoond wordt! ,

Opzettelijk zij vermeld, dat de wijziging in de Hooger-Onderwijswet in 1921 van verplichte opname van Lichamelijke Oefening onder de gymnasiale leervakken gewaagde, niet van Lichamelijke Opvoeding, waarvan men gewoon is te spreken. Hiermede raken wij aan de kern der kwestie. Verkondigde niet enkele jaren geleden een rector van grooten naam hier in Nederland, bijna vanzelfsprekend dus een van joodsche afkomst, nml. de Utrechtsche rector dr. A. H. Kan, ter gelegenheid van de jaarlijksdhe prijsuitreiking in de Pieterskerk aldaar, dat de leeraar niet in de eer.ste plaats tot opvoeden geroepen is, een meening ook thans nog onder rectoren verbreid. De school is een /eerinstituut, geen opvoedingsmstituut, moest ik nóg zoolang niet ge-' leden uit een rectoralen mond vernemen naar aanleiding van een kwestie van opvoeding en verwijzing die ik naar de benaming van ons Opvoedersgilde deed. Waar de zaken zóó staan, zal men begrijpen, dat een wijziging in de urentabel op het gymnasium de hoognoodige verandering en aanpassing aan den nieuwen tijd niet zal brengen. In 1938 promoveerde zekere pater v. Doornik op een zeer uitvoerige empirische studie over „De Moderne Gymnasiast tegenover zijn klassieke