is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 28, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorming”, maar de lichamelijke opvoeding kwam daarbij niet in beschouwing, alsof die aan de klassieke ontwikkeling wezenlijk vreemd zou zijn!

Maar als opvoeding naar onze inzichten wel degelijk de taak der school en dus ook die van het .gymnasium moet zijn, dab dient het geheele vraagstuk der zgn. klassieke opvoeding in het licht van dezen tijd te worden beschouwd met de consequenties die hieraan uiteraard -verbonden zijn. Nog meer dan na den Wereldoorlog van 1914—’i 8 doet zich niet alleen in het Duitschland van toen, maar nu ook bij ons om onze verbondenheid met alle Germaansche volken de spanning tusschen het klassiek neo-humanisme en het jonge nationaal-socialisme voor als eèn aangelegenheid van den eersten rang in de jeugdopvoeding. Eenerzijds omdat de denkwijzen dezer beide werelden zoo wijd uiteenloopen, anderdeels omdat de doelstelling van alle onderwijs in de naaste toekomst geheel van de oude verschillend moet zijn. Nu nog meer dan toen gelden de woorden van prof. Norden: Siehe es ist alles neu geworden, wir wollen nicht mehr am Altar Apollons, sondern im Haine Teuts opfern”.

Het humanisme veroordeelen en tegelijk voor de jeugd, en in het bijzonder dat deel daarvan, dat later grootendeels de leidende posities in onze samenleving pleegt te gaan bezetten, de humanistische school te handhaven is ontoelaatbaar, zoowel tegenover de jeugd zelf als tegen.over het geheele volk. In het gymnasium moeten meer dan in eenig ander onderwijsinstituut groote veranderingen komen, wil het nog eenige waarde behouden voor de taak, die het ten opzichte van de jeugdopvoeding te vervullen heeft. Met het afschaffen van het Hebreeuwsch alleen wordt dit niet bereikt. Evenmin met enkele lesuren meer in de moedertaal zoowel als in het Duitsch: een sjacherloon voor de nieuwe behoeften wenschen wij niet aan te nemen! Van zijn grondslagen af dient dit instituut te worden hervormd, want zonder dat zal de opvoeding der 'jeugd evenmin radicaal gewijzigd worden. Als uit een ver verleden klinken ons versregels toe, die op de voorpagina van het Gedenkboek ■ van het Genootschap van leeraren aan Nederiandsche Gymnasiën staan:

O levenskracht en wijsheidsb'ron van Romers roem en zon.

Onze roem ligt elders, onze zon staat aan geen Zuidelijken, maar aan den Noorderhemel!

H. VAN ALPEN

Opvoeders in gestichten

Herinnert ge U die plaat, waarbij U duidelijk gemaakt werd dat ook voor U plaats was in de rij der oprukkende troepen?

Welnu, er is destijds gezegd; „Opvoedersgilde, marcheer!” en dat commando is door de organisatie verwezenlijkt.

In verschillende afdeelingen samengebracht, vormen Uw gildebroeders van het onderwijs thans reeds een optrekkende schare, die zich opmaakt, het onderwijs in de nieuwe bapen van den historischen tijd te leiden. Deze strijdende en strijdbare pioniers hebben zich bewust ingezet, om de taak van den onderwijzer in het nieuwe Nederland om te smelten in de vormen, die deze behoeft in de volksche, Germaansche samenleving van straks. Niettemin bleef er nog in hun gelederen menige open plaats. En die moet aangevuld worden door U, „opvoeders”, wel is waar zonder onderwijzers-acte, maar niettemin Opvoeders van onze jeugd zij het dan van een speciaal deel van de jeugd, dat „het gesticht” als zijn tehuis heeft moeten leeren zien.

Die „open plaats” in de optrekkende massa der paedagogen is ook voor U, opvoeders in gestichten! Die behoort Gij in te nemen, die mede Uw schouders hebt te zetten onder een gedeelte van den last, welk thans nog drukt op hen, die leiding hebben te geven aan het werk van omvorming van wat oud en niet meer terzake dienende is, om te komen tot een aaneensluitend geheel van samenwerkende elementen in den strijd voor een vernieuwd volk.

Gij draagt op Uw gebied Uw steentje bij aan de karaktervorming van een deel van bet opgroeiend geslacht van dat vernieuwde volk van straks, dat geboren wordt in de moeilijke tijden van botsende inzichten, van afstervende begrippen over volksverboudingen eenerzijds. en .een glorenden horizont van een harmonische samenleving in welbegrepen rassenbelangen anderzijds. Ook wij dus . . . zult ge U afvragen ?

Ja, ook Gij eenvoudige zaalleiders, „groepsvader”, paviljoenshoofd of hoe U zich genoemd weet in het kleine wereldje, waarin Ge Uw bescheiden krachten onder het oog der heeren bestuurderen meent te kunnen ontplooien. Juist op U doelen wij, als "wij een poging willen doen, U door een handreiking op den voor U vasten wal van het Opvoedersgilde te trekken.

Wendt U maar niet verschrikt af, als Ge hoort, dat het er om gaat, U mee op te trekken in de steeds groeiende rij van strijders! Wij vragen nog slechts een eerste schrede van U.

Gij behoeft niet U in te zetten voor 'het Oostfront of elders. Gij moogt wat ons betreft, hier in Uw vaderland blijven, zelfs nog op Uw bescheiden plaats en mogelijk naar menschelijk inzicht „veilig plekje” in de inrichting, waar ge Uw werkkring hebt gevonden. Maar wat we van U verwachten is een daad!

En wel een, die in den beginne slechts wat zelfkennis en een zekere mate van zelfcritiek vergt. Een daad, die in zekere, mate voor U een zelfoverwinning met zich zal brengen.

Want bet zal er om gaan, eerst aan Uzelf te bekennen, dat Ge ook boort in die groote broederschap van volksgenooten, die zich met zekeren trots „opvoeders” mogen noemen ! Opvoeders dan van een jeugd, die Europa zal moeten leeren zien in bet licht der volkscbè samenleving, voortgekomen uit de grootste worsteling van wereldbeschouwingen, die de menscbbeid ooit over zich zag losbreken.

Uw werk, al is het nog zoo bescheiden, is een vormingsarbeid, begaan aan ontvankelijke kinderzielen in de .jaren, waarin deze „bouwen” op bet woord, op de daad en op bet voorbeeld van hem, op wier opvoedend talent zij zijn aangewezen, voor die kleine menscben ten zegen ... of ...?

Neen, hier mag alleen sprake zijn van : ten zegen ! Wij moeten en mogen niet anders aannemen. Immers, daartoe werd Ge op de U toebedeelde plaats geroepen: om ten zegen te zijn, over wie Gij gesteld werdt.

Voelt Gij, welke zware verantwoording daarmee in .tijden als deze op Uw schouders werd gelegd? Hoe Uw bescheiden plaats in zaal of paviljoen, waar Gij „opvoeder” zijt (als het niet is „vader” of mogelijk „vader en moeder tegelijk” over een aantal menschen-in-wording) de gelegenheid .geeft op de verstandelijke en geestelijke vorming dier jongeren een stempel te drukken, al naar gelang Uw eigen rijkheid aan levenskennis en levenservaring ?

Uw levensblijheid zal norm zijn voor de afstraling van Uw goede gaven als vormer van een jongere generatie, die, individueel bezien