is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 28, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den overgegaan. Als er erfelijkheid bestond ten opzichte van verkregen parate kennis zou dat niet zoo noodzakelijk zijn geworden. Dat het opnemen van kennis tegenwoordig vaak veel vlugger en gemakkelijker gaat dan voorheen, is natuurlijk ondermeer ook een. gevolg van vooruitgang van techniek. Maar de moderne literatuur b.v. staat geens-* zins op hooger peil dan de klassieke en een kind uit Nederlandsche ouders in Nederland geboren en onmiddellijk na de geboorte naar Frankrijk overgebracht en daar door Franschen opgevoed, leert de Fransche taal even snel *en even goed als een Fransch kind.

Men moest dus wel tot de erkenning komen, dat tijdens het leven verworven eigenschappen niet erfelijk zijn.

Ook in zijn boek „De biologische achtergrond ■ van aanleg, milieu en opvoeding” ontkent Dr. P. J. v. Waardenburg, dat tot heden een erfelijkheid van verworven eigenschappen is aangetoond.

„Erworbene Eigenschaften sind nicht erblich”, aldus Prof. Dr. Fr. Lenz in zijn „Ueber die biologischen Grundlagen der Erziehung.”

En ook Wilhelm Schallmayer toont in zijn werk „Vererbung und Auslese” aan, dat er voor „persönlich erworbenen Eigenschaften keinerlei Beweis von Vererbbarkeit vorhanden ist”.

Hoofdzaak is dus, want dit zal door het hier voorafgaande wel duidelijk geworden zijn wat de mensch bij zijn geboorte heeft meegekregen wat in zijn chromosomen verankerd ligt, het z.g.n. genotype dus.

„Waf de opvoeding kan doen”, aldus drukt Dr. F. J' v. Waardenburg zich in het hierboven aangehaalde boek uit, „is niet den aanleg verbeteren, dit is een hopelooze desillusie, maar zij kan het leven voor de betrokkenen gemakkelijker maken, doordat zij de noodelooze moeilijkheden, die het leven aan het voorgeslacht bood, tot een minimum tracht te beperken. Biologisch gezien, behoort de opvoeding tot de belangrijke paratypische factoren, die bewerken, dat een beter phaenotype uit den genotypischen aanleg* ontstaat, dan dat dit zonder opvoeding het geval zou zijn. Van de Vele mogelijkheden, die in den aanleg der menschen sluimeren, poogt de. opvoeding de beste tot werkelijkheid te maken.”

~De normatieve energie, in staat onze driften te beheerschen,” zegt Prof. Dr. Haberlin in diens „Wege und Irrwege der Erzièhung” (vertaling A. V. Gogh Kaulbach) „is, evenals het verrnogen der onder-

scheiding tusschen goed en kwaad, een gave, die elk kind reeds meebrengt. Anders kon de opvoeding zich daarmede ook niet bemoeien, want opvoeding kan niets scheppen, doch zij kan alleen, wat reeds aanwezig is, ontwikkelen, bewaren, opkweeken.” „Als een ganschheid”, aldus Dr. M. A. v. Herwerden, „staat ieder organisme in de omgeving, waaraan het is aangepast. Deze aanpassing is het natuurlijk gevolg van zijn overgeërfd reactievermogen tegenover levensomstandigheden, welke van de eerste ontwikkeling van de kiem af werkzaam zijn en die mede bepalen, welke eigenschappen zich later zullen ontplooien. Wat erfelijk niet in de kiem aanwezig is, kan echter met den besten wil door de meest gunstige levensverhoudingen niet te voorschijn worden geroepen. Hetgeen daar erfelijk is neergelegd, bepaalt tenslotte de grenzen van het ontplooiingsvermogen. De grenzen zijn echter vaak ruimer dan het daadwerkelijk bereikte in den verschijningsvorm ons doet .vermoeden. Ook voor den mensch is hieruit leering te trekken.”

Haberlin in het hierboven aangehaalde werk zegt: „Al onze tekortkomingen in den natuurlijken aanleg beteekenen een bezwaring of onoplosbare gebondenheid van het individu. Zij zijn gebreken van de ontwikkelingsmogelijkheid, van de plasticiteit. Het is alsof door de „erfelijkheid” bij iederen mensch zekere lijnen voor zijn ontwikkeling zijn getrokken, die hij niet overschrijden kan. Een stuk bewegings- of ontwikkelingsmogelijkheid is aan hem overgelaten en in zoover kan opvoeding hem steunen. Maar eenmaal komt de grenspaal. Een algcmeene grenspaal van deze soort vormt ook het „verouderen”, het verdwijnen van de 'ontwikkelingsmogelijkheid of plasticiteit in het algemeen. Dat beteekent alleen dan geen grens der opvoedbaarheid, wanneer in het individu de mogelijkheid ligt vóór het verdwijnen der algemeene plasticiteit het doel der opvoeding te bereiken.”

Op dit laatste stramien nog even verder voortbordurende, zou ik ook nog prof. Lenz. willen aanhalen,, die eveneens in het algemeen e'en begrensdheid aanneemt van ~Aufnahmefahigkeit des Gedachtnisses’*! en daarom bij -jonge kinderen bepleit een vooropstellen van het lee.ren dier zaken, die voor het latere leven beslist noodzakelijk zijn. In dit verband is nog de volgende vraag te stellen en te beantwoorden : Als men de kinderen niet op tijd geestelijk voedsel .geeft, loopt men dan niet het .gevaar, dat men later heen is over wat Dr. Montes-

sori noemt „de gevoelige periode”? Ongetwijfeld moet men niet al te lang wachten als het niet noodzakelijk is, maar zooveel waarde ak Montessori aan dit probleem hecht, is wel wat overdreven.

Een zeer lezenswaardige brochure over die gevoelige periode verscheen indertijd van de hand van Dr. Droogleever Fortuyn bij Ploegsma te Zeist. Ongetwijfeld zijn er geestelijke functies, die samenhangen met de gevoelige periode, maar men moet met die gevoelige periode uiterst voorzichtig zijn. Interessant op dit gebied zijn ook de artikelen, die Dr. A. Schierbeek schreef in het weekblad voor Middelbaar- en Gymnasiaal Onderwijs van 1925. (Nos. 25, 26 en 27).

Niet altijd heeft men zoo sceptisch gestaan tegenover den invloed der inwerkende factoren na de geboorte en zoo buitengewoon veel waarde gehecht aan dien erfelijken grondslag. Wel *>hebben, de geheele geschiedenis der rrienschheid door, de philosofen zich met die problemen bezig gehouden, ook al in den tijd, dat van een wetenschappelijke bestudeering der erfelijkheid nog geen sprake was.

Plato b.v. verwachtte aanvankelijk Zeer veel, zoo niet alles, van de opvoeding. Later wordt in zijn „Politica” een heilstaat beschreven, gegrond op een strenge keur van burgers, op schifting dpor verwijdering (koloniseering qf nog drastischer maatregelen) en op een door den staat geregeld huwelijk. Plato stond dus toen reeds op het standpunt, dat de mensch verantwoordelijk is vóór den aard zijner nakomelingen, juist hetzelfde standpunt, hetwelk de hedendaagsche eugenetiek inneemt.

Desiderius Erasmus zegt: Die Menschen werden nicht geboren, sondern gebildet.” Leibniz: „Die Erziehung überwindet alles”.

Kant: „Der Mensch kann nur Mensch werden durch Erziehung. Er ist nichts, als was die Erziehung aus ihm macht.”

Schopenhauer daarentegen: „Der Mensch ist wie jeder andere Teil der Natur Objektivitat des Willens. Wie jedes Ding in der Natur sqjne Krafte und Qualitaten hat, die auf bestimmte Einwirkung bestimmt reagieren, und seinen Charakter ausmachen, so hat auch der Mensch seinen Charakter aus dem die Motive seiner Handlungen mit Notwendigkeit entspringen.”

Voltaire stond op het standpunt, dat alle menschen in aanleg slecht waren en pas veranderden door de cultuur.

Rousseau zei het juist andersom: