is toegevoegd aan je favorieten.

Arbeidsbestel; orgaan van het Rijksarbeidsbureau, den Rijksdienst voor de Werkverruiming en den Nederlandschen Werkloosheidsraad, jrg 1, 1942, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het geplaatste werk van den heer Bron te Winschoten is wat vorm, stijl en inhoud betreft, naar onze meening ditmaal het beste.

Enkele inzenders, wier inzending blijk gaf van een meer dan oppervlakkige kennis van de bestaande voorschriften terzake, hebben niet genoeg zorg besteed aan de logische indeeling van de te behandelen punten. Ook werden nog stijlfouten gemaakt.

Wij kunnen onze inzenders niet genoeg aanraden om nog meer aandacht te besteden aan den stijl en den bouw van hun opstel.

Goede inzendingen ontvingen wij verder van H. C. Boon te Alkmaar, K. J. Douven te Merkelbeek (L.), J. Hennen te Hoensbroek, J. G. A. Janssen te Maastricht, J. A. Kuipers te Oss, J. F. Kunst te Opheusden, R. Luden te Veendam, P. J. Nederkoorn te Doetinchem, E. Rietrae te Wijnandsrade, P. van Strijen te Zaandam, W. Trenning te Stadskanaal en J. H. Willems te Maastricht.

Vraag 2

Welke beteekenis kent gij toe aandenz-g. „buitendienst” van een gewestelijk arbeidsbureau, wat is zijn taak en hoe kan deze onder de huidige omstandigheden het best worden vervuld?

Onder de Arbeidsbemiddelingswet 1930 was in elke gemeente een orgaan der openbare arbeidsbemiddeling gevestigd. Deze gemeentelijke organen, agentschappen der arbeidsbemiddeling en gemeentelijke arbeidsbeurzen (sommige gemeenten bezaten wegens hun uitgestrektheid zelfs meerdere organen terwijl daarentegen in enkele gevallen een combinatie van gemeenten één gemeenschappelijke arbeidsbeurs exploiteerde), behartigden in samenwerking met hun respectievelijke districtsarbeidsbeurzen en van boven af

geleid door de rijksdienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling de belangen der openbare arbeidsbemiddeling. Op deze wijze was het land als het ware overspannen door een net van 43 districtsarbeidsbeurzen en pl.m. 1000 gemeentelijke arbeidsbeurzen en agentschappen.

Het besluit van den secretarisgeneraal van het departement van sociale zaken van 5 October 1940, gepubliceerd in het verordeningenblad no. 30, waarbij de openbare arbeidsbemiddeling tot rijkszaak verheven en dus geheel aan de gemeentelijke bemoeiingen onttrokken werd, bracht een algehele ommekeer in de opzet van de hiervóór in het kort gereleveerde vroegere organisatievorm.

De districts- en gemeentelijke organen moesten plaats maken voor 37 gewestelijke arbeidsbureaux en plm. 150 daaronder ressorterende bijkantoren.

Vergelijken we de tegenwoordige met de vroegere organisatie der openbare arbeidsbemiddeling, dan constateeren we, dat de reorganisatie gepaard ging met een sterke concentratie van de uitvoerende instanties. Het constateren van dit feit leidt haast vanzelf tot het stellen van de vraag, of onder de nieuwe organisatie, dus na de uitschakeling van de talrijke gemeentelijke organen, wel op afdoende en doelmatige wijze in de behoeften der arbeidsbemiddeling en alles, wat daarmede annex is, kan worden voorzien. We mogen veilig aannemen, dat de organisatoren bij hun opzet de consequenties van het vervallen der gemeentelijke organen geenszins over het hoofd gezien hebben en zich reeds in het beginstadium van hun moeizaam werk hebben beraden over de wijze, waarop aan deze mogelijke lacune in het nieuwe bemiddelingsapparaat zou kunnen worden tegemoetgekomen.

De instelling van een dienst als onderdeel van het gewestelijk arbeidsbureau is m. i. tot op zekere hoogte te beschouwen als een compensatie wegens het verdwijnen van de meeste plaatselijke bemiddelingsorganen doch tegelijkertijd als een complement op, een verlengstuk van de binnendienst, hetgeen ik in het vervolg van deze beschouwing nader hoop aan te toonen.

Wat hebben we onder een buitendienst te verstaan en welke betekenis moeten we aan dit speciale ~dienstvak” toekennen in verband met de taak van het arbeidsbureau?

Bij wijze van algemene opmerking wil ik als mijn mening uitspreken, dat de ~buitendienst” van een gewestelijk arbeidsbureau niets gemeen heeft met gelijknamige diensten van vele andere rijksinstellingen; de ~buitendienst” van een gewestelijk arbeidsbureau is m. i. een exclusieve buitendienst.

Terwijl bij vele andere rijksinstellingen (b.v. de Raad van Arbeid) de buitendienst verzorgd wordt door ambtenaren, die permanent zekere werkzaamheden ten behoeve van een bepaalde afdeling van de ~binnendienst” verrichten (controle- en/of opsporingswerk, werkzaamheden van informatieven aard, enz.) omvat de taak van de buitendienst van een gewestelijk arbeidsbureau vrijwel de gehele binnendienst. Deze buitendienst heeft een veel wijdere, een zeer bijzondere strekking en wel in verband met de aard en de doelstelling van het rijksarbeidsbureau.

Dit als inleidende opmerking tot de hierna volgende beschouwing.

Het is een der fundamentele principes, welke regelmatig, zowel in de vakliteratuur als op de vanwege het rijksarbeidsbureau georganiseerde cursussen onder de aandacht van het personeel worden gebracht, dat de bemiddelingsafdelingen permanent