is toegevoegd aan je favorieten.

Arbeidsbestel; orgaan van het Rijksarbeidsbureau, den Rijksdienst voor de Werkverruiming en den Nederlandschen Werkloosheidsraad, jrg 1, 1942, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wil de Staat zich hier echter belasten met de uitvoerende taak en zich dus niet meer beperken tot controle en subsidieering dan is het noodzakelijk, dat de bestaande organisatie hieraan wordt aangepast. Ter voorkoming derhalve van een topzwaar apparaat in Den Haag is daarom een decentralisatie ontworpen, welke voorloopig zal leiden tot instelling van districtsbureaux aan welks hoofd een deskundig technisch gevormd persoon zal staan. Dit alles in tegenstelling met den huidigen toestand, waarbij het Rijksapparaat geheel is gecentraliseerd in Den Haag. Deze toekomstige inspecties voor ~Vakontwikkeling en Sociale Jeugdzorg” zullen dan bijgestaan moeten worden door adviescommissies van deskundigen op het gebied der vakscholing, waardoor bereikt wordt, dat het vakontwikkelingswerk in een bepaald gewest contact heeft met het bedrijfsleven aldaar. Het geheel wordt ondergebracl t bij den Rijksdienst voor de Werkverruiming, waaronder in November 1941 deze sociale taak als afdeeling ~Vakontwikkeling en Sociale Jeugdzorg” reeds was ondergebracht.

Volledigheidshalve zij hier nog medegedeeld, dat dit speciale werkloozenwerk van October 1939 af een zelfstandige afdeeling van het Departement van Sociale Zaken vormde onder den naam van ~Cultureele Zorg en Sociale Jeugdzorg”; eind 1940 werd deze afdeeling vereenigd met de Afdeeling Werkverruiming van het Departement van Sociale Zaken. Deze laatste toest-and duurde echter maar kort; in November 1941 werd de Rijksdienst voor de Werkverruiming, zooals reeds werd opgemerkt, met deze zorg belast.

De tewerkstelling geldt thans voor een bepaalden tijdsduur, t.w. voor de iB-jarigen, die een ambachtsschool doorloopen heb-

ben van 3 maanden en voor de 14—18-jarigen een halfjaar, teiwijl tijdens den scholingstijd zoo weinig mogelijk zal worden bemiddeld. Wij hebben hier dus met deze groote wijziging te doen, dat van de kampen alleen zijn overgebleven, vakkampen, dus kampen, waar de deelnemers worden opgeleid tot een beroep, hetzij voor de industrieele bedrijven, voor landarbeider, melker of voor de binnen- kust- of Rijnvaart. De taak van de andere kampen welke meer de algemeene vorming ten doel hadden, is overgenomen door den Nederlandschen Arbeidsdienst. De vakkampen en Centrale Werkplaatsen zijn thans instellingen voor de vele jongeren en wat de Centrale Werkplaatsen betreft, ook voor ouderen, welke een verkeerde beroepskeuze hebben gedaan of in het geheel geen beroep hebben gekozen en het is nu voor deze groepen noodzakelijk over een bijzondere opleiding te beschikken, waar o. a. door middel van individueel en niet-klassikaal onderwijs deze groep alsnog tot vakarbeider kan worden opgeleid.

Bij het meisjeswerk hadden geen principieele veranderingen plaats, met uitzondering hiervan, dat het meisjeskampwerk kwam te vervallen als gevolg van de inmiddels in het leven geroepen vrouwelijken arbeidsdienst.

Er zijn echter nog meer nieuwe wegen bewandeld in zake de Sociale Jeugdzorg. En wel door uitvoering te geven aan het z.g. plan-de Jongh. Van Mr. G. T. J. de Jongh, oud-Kinderrechter, stamt nl. de gedachte om werkkampen op speciale wijze in te richten voor de bedreigde jeugd, die in haar overgangsjaren moeilijk is voor zichzelf en voor anderen. De Afdeeling ~Vakontwikkeling en Sociale Jeugdzorg” van den Rijksdienst voor de Werkverruiming heeft in samenwerking met het Departement van Justitie nl. eenige maanden

geleden op het landgoed Eerde bij Ommen een kamp geopend voor deze categorie jeugdigen, nl. voor de bedreigde en verwaarloosde jeugd en wel in aansluiting met de zgn. vakkampen. De gedachte is, dat de jongens, die door hun daden dreigen met een Kinderrechter of Politierechter in aanraking te komen soms al reeds in aanraking zijn geweest —■ worden opgenomen in deze nieuwe soort werkkampen om daar zoo lang te blijven als noodig is om hen geschikt te maken voor opneming in één der vakkampen, zonder gevaar, dat zij daar de sfeer voor de gewone deelnemers zullen bederven. Men begrijpe goed, dat wij hier niet te maken hebben met echte misdadige elementen, die bij de Justitie thuis behooren, maar met jongelieden, die als slechts ~bedreigd” kunnen worden beschouwd, al hebben zij dan in vele gevallen iets gedaan, dat bij de wet verboden is. De sfeer in deze kampen is dan ook zoo, dat men den jongen steeds duidelijk doet zijn, dat het verblijf in het kamp geen moeten is, maar een mogen. Indien de jongen zich in deze speciale kampen goed gedraagt, zoo kan hij na verloop van 3 of 4 maanden geplaatst worden in een vakkamp. Naast het reeds genoemde kamp te Ommen, dat een capaciteit heeft van ongeveer 100 jongens, zal binnen afzienbaren tijd nog worden geopend een kamp te Beekbergen en een te Barchem, waardoor gelegenheid wordt verkregen tot differentiatie nl. een kamp voor de jaargroepen 16—18 en van 18—24.

Hen, die nadere bijzonderheden over deze kampen willen vernemen verwijs ik naar het artikel van Dr. M. Muller in het Meinummer van het Maandblad voor Berechting en Reclasseering.

Ten slotte worden zij, die be-

Men zie in dit verband ook de bijdrage in dit nummer, biz. 188 „Sociaal werk voor moeilijke jeugd”. (Red.)