is toegevoegd aan je favorieten.

Arbeidsbestel; orgaan van het Rijksarbeidsbureau, den Rijksdienst voor de Werkverruiming en den Nederlandschen Werkloosheidsraad, jrg 1, 1942, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens de werkelijkheid, want een ervan is een schijn-uitzondering. Bezien we deze eerst.

De onrechtmatigheid wordt opgeheven, indien degene, die de overeenkomst ontijdig verbreekt tegelijkertijd aan de wederpartij een schadeloosstelling betaalt (art. 16390). Het, voor de practijk niet zeer belangrijke verschil met onrechtmatig ontslag is dus, dat hier de schadeloosstelling direct betaald wordt om een desbetreffende vordering te voorkomen, terwijl bij onrechtmatig ontslag dezelfde – schadeloosstelling alsnog gevorderd kan worden. In zich is het dus slechts een verschil in tijdstip van betalen. Betalen moet men als het er op aankomt toch en van een uitzondering is dus weinig sprake.

Men zou hiertegen kunnen aanvoeren, dat bij onrechtmatig ontslag steeds de mogelijkheid bestaat om op grond van art. volledige schadevergoeding te vorderen en hier niet. Maar ook dit verschil wordt opgeheven en wel door art. 16395 dat zegt, dat verdere vergoeding (bij ontslag met schadeloosstelling tegelijkertijd) gevorderd kan worden door de wederpartij, indien door bijzondere omstandigheden de schadeloosstelling geacht kan worden de werkelijk geleden schade niet te dekken. Hier valt weer te denken aan voorbeelden als kost en inwoning. Ook daartegen is degene, die ontijdig opzegde en die, door direct de schadeloosstelling te voldoen, trachtte deze daad niet-onrechtmatig te maken, niet gevrijwaard.

Hoe groot het bedrag van de schadeloosstelling is, zagen we reeds terloops. De wet maakt echter in art. 1 daarbij onderscheid tusschen overeenkomsten voor onbepaalde en die voor bepaalde tijd gesloten. In het eerste geval wordt de schadeloosstelling bepaald naar het in geld vastgesteld bedrag aan loon voor de duur van de geldende opzegtermijn. Bij de contracten

voor bepaalde tijd: het in geld vastgestelde bedrag aan loon voor de tijd, dat de dienstbetrekking voort had moeten duren tot het contract afgeloopen was. De Hooge Raad besliste (24 Mei 1912 R. B. 111 blz. loi), dat in beide gevallen de schadeloosstelling deze som bedraagt, ongeacht of er inderdaad tot dit bedrag ook schade is geleden. Het kan bijvoorbeeld zijn, dat de opgezegde direct weer in een andere dienstbetrekking treedt. Verder staat ons hoogste rechtscollege op het standpunt, dat de schadeloosstelling het bedrag omvat, dat in werkelijkheid nog verdiend had kunnen zijn indien het contract normaal beëindigd was. Een voorbeeld moge dit verduidelijken: een coritract voor onbepaalde tijd gesloten, wordt eind October opgezegd tegen I December d. a. v. Op 15 November wordt het contract echter reeds verbroken. De schadeloosstelling wordt dan over de laatste 15 dagen berekend en niet over de volle maand.

Art. 1639!' geeft nog enkele bijzonderheden over verlaging of verhooging van de schadeloosstelling. Verlaging ten behoeve van de werknemer mag niet. Verhooging alleen mits bij schriftelijk contract of reglement bedongen, behoudens dat de rechter hier mag matigen, mits hij niet beneden het ivettelijk bepaalde bedrag gaat. Art. 16390 spreekt nog van tegelijkertijd ~betalen”. Daaronder verstaat de Hooge Raad (16 Juni 1922 R. B. XI blz. 10) ook „aanbieden”, al wordt het aangebodene niet geaccepteerd. Dit is billijk.

Het is misschien niet ondienstig hier te vermelden, dat wanneer een werkgever overgaat tot ontslag van een werknemer met gelijktijdige betaling van de wettelijke schadeloosstelling, dit laatste hem geenszins ontheft van de verplichting voor dit ontslag vergunning aan te vragen bij de

Arbeidsinspectie. Immers deze vergunning kan hij alleen missen, indien ~artikel van het B. W. toepasselijk is” (3e Uitv.- besl. art. i, lid i sub 2). Art. 1639/) handelt zooals we zullen zien alleen over ~dringende redenen” en gaat niet over deze eerste uitzondering.

Belangrijker dan de eerste „uitzondering” is de tweede. De onrechtmatigheid wordt ook opgeheven, indien het ontslag geschiedt ~bm een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden” (art. 16390}^

Op de vraag wat dringende redenen zijn geven artt. 1639/1 en q een antwoord, door een omschrijving, die in het eerste artikel (voor de werkgever) enger is dan in het tweede (voor de werknemer): vindt de werkgever slechts een dringende reden in ~daden, eigenschappen of gedragingen van den arbeider die ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren”, de werknemer is gauwer klaar: dringende redenen zijn voor hem „omstandigheden, die tengevolge hebben etc.”. Blijkbaar heeft de wetgever voorvoeld dat dergelijke algemeene formules in de practijk moeilijkheden kunnen opleveren en geeft ze daarom, weer in beide artikelen, een nadere specificatie, een opsomming van mogelijkheden.

De belangrijkheid, die deze opsommingen voor de practijk konden hebben is er echter grootendeels aan ontnomen door de aanhef ervan: „Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:”. ~Onder andere” . . . dus slechts een greep, waarmee de opsomming overbodig wordt. Stond dan tenminste in de aanhef het woord ~kunnen” nog niet, dan had de specificatie nog deze waarde, dat men in die gevallen wist waar men aan toe was al was het dan geen volledig geheel.