is toegevoegd aan je favorieten.

Arbeidsbestel; orgaan van het Rijksarbeidsbureau, den Rijksdienst voor de Werkverruiming en den Nederlandschen Werkloosheidsraad, jrg 1, 1942, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschreven arbeider te verwijzen naar dd voor hem geëigende plaatsen en den werkgever te voldoen door toezending van de meest geschikté krachten. Door toedoen van den bemiddelaar komt derhalve de eigenlijke, bemiddeling tot starkd. *

Geheel anders ligt deze ver- ' houding tusschen bemiddelaar, werknemer en werkgever bij het verleenen van een aanstellingsvergunning. Van eigenlijk bemiddelingswerk is hier geen sprake, de bemiddelaar vormt niet het vereischte aanknoopingspunt. Er is reeds een band tusschen werknemer en Werkgever tot stand gekomen, • die op grond van de voorschriften in het Aanstellingsbesluit nog gesanctionneerd moet worden door de handteekening van den Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau op het witte formulier, wil – hij effectief worden. Weliswaar heeft de bemiddelaar ook hiermede bemoeienis, doch deze strekt zich niet verder uit dan tot een onderzoek naar eventueele bezwaren, die zich tegen ' het verleenen der gevraagde vergunning zouden kunnen verzetten, o. m. het onrechtmatig beëindigen van de arbeidsverhouding met een vorigen werkgever, het niet geschikt zijn van den arbeider- voor tewerkstelling in de voor hem bestemde plaats. Hier vormt de bemiddelaar dus niet onvermijdelijke schakel in het tot stand komen Van het contact tusschen werknemer en werkgever, gelijk dit bij een eigenlijke bemiddeling het geval is, doch bepaalt zich uitsluitend lOt een onderzoek naar feiten, die zich tegen verleening der vergunning verzetten. De bemiddelaar bekleedt hier dus een zuivere inquisitieve positie.

Zeer terecht heeft dan ook de Directeur-Generaal van het Rijksarbeidsbureau in genoemd telexbericht nogmaals als zijn standpunt te kennen gegeven.

dat de gunstig beschikte aanvragen buiten de statistiek moeten blijven, hiermede te kénnen gevende dat vergunning“n ingevolge het aanstellingsbesluit geen eigenlijke bemiddelingen zijn.

Zoo men van meening is, dat met het opnemen van het aantal verleende vergunningen een vergelijkbaar beeld wordt verkregen van de vele werkzaamheden, die den arbeidsbureaux zijn opgedragen, dan kan ik zulks niet anders dan beamen, mits men dan ook alle werkzaamheden, en die zijn er vele, in cijfers poogt te brengen om op deze wijze het totaalbeeld der werkzaamheden te kunneA vergelijken. Hoe men dit zou moeten verwerken, laat ik aan deskundige zijde ter beoordeeling. De moeilijkheid daarvan ontveins ik mij geenszins. Doch late men bij de samenstelling van een algemeen statistisch beeld dan toch niet door de boomen het bosch uit het oog verliezen! De statistiek zou waarschijnlijk haar doel voorbijstreven.

Een algemeen statistisch beeld van de vele werkzaamheden lijkt mij ook niet indien men bedenkt, dat de factbren, waaronder de verschillende arbeidsbureaux werken, zeer verscheiden zijn en vaak welhaast niet te vergelijken zullen zijn.

Hoe het groeide

door A. J. A. C. van Delft

In 1925 werd door de Stadsdrukkerij te Amsterdam een interessant tnaandschrift verzorgd, De Amsterdamschi Gids geheeten, waarin tal van wetenswaardigheden over* oud en nieuw van deze metropool op pakkende wijze beschrijving vonden.

In no. 6 van den len jrg. (15 November 1925) vonden we „De arbeidsmarktzorg in Amsterdam” in opgaande lijn weergegeven, waarin de arbeidsbemiddeling nauwkeurig behandeld is. Veel van wat daar door

klaarblijkelijk deskundige hand is, heeft zijn waarde nog niet verloren.

Hoe de algemeene Arbeidsbeurs uitgroeide tot een conglomeratie van vakbeurzen wordt vakkundig verklaard en de bereikte resultaten omschreef men in 1925 volgenderwijs;

~Terwijl in 1887 (het eerste volle jaar na de oprichting der arbeidsbeurs van den Werkenden iStand) 599 plaatsingen tot stand kwamen, in 1899 (na de vestiging der zelfstandige Centrale Arbeidsbeurs) 3015 plaatsingen konden geboekt worden, bedroeg dit aantal in 1909 (het eerste volle jaar na de gemeentelijke overname) 9502, in 1913 3081.6, in 1915 (het eerste volle oorlogsjaar) 40273, in 1919 (het eerste vredesjaar) 58836. In 1920 werden zelfs 61192 plaatsingen tot stand' gebracht. Maar toen bracht de uiterst slechte conjunctuur een tijdelijken terugval: in 1921; 54354 plaatsingen, in 1922: 48670, in 1923: 47048, in 1924 weer 53331. In 1925 zullen vermoedelijk zelfs meer dan 63000 plaatsingen geboekt kunnen worden (het grootste tot nu toe bereikte aantal), voornamelijk als gevolg van de steeds grootere plaats, welke de arbeidsbeurs in het bedrijfsleven gaat innerhen. Dat de beteekenis eener arbeidsbeurs wordt afgemeten naar het aantal tewerkstellingen, waarbij zij haar tusschenkomst verleent, is verklaarbaar omdat daarin haar economisch en sociaal nut zich manifesteeren. Maar de omvang harer werkzaamheden is naar dien maatstaf niet te metèn. In tijden van groote werkloosheid met weinig vraag naar en veel aanbod van arbeidskrachten zijn de werk zaamheden als gevolg van het groote aanbod der werkloozen groot. En in vakken waar de vraag naar .arbeidskrachten het aanbod verre overtreft (b.V. het dienstbodenvak) baart die groote