is toegevoegd aan je favorieten.

Arbeidsbestel; orgaan van het Rijksarbeidsbureau, den Rijksdienst voor de Werkverruiming en den Nederlandschen Werkloosheidsraad, jrg 2, 1943, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrokken arbeidskrachten behoudt.

Men kan betoogen, dat deze regeling in beginsel onjuist is; dienstverplichting, zegt men dan, is immers een instituut dat niet voor alle mogelijke doeleinden gebezigd moet worden, maar uitsluitend als een ultimum remedium is te beschouwen. Bovendien is de regeling onpractisch, omdat de dienstverplichting aan de, ten onrechte goed- arbeidsverhouding, niet definitief een einde kan maken, doch sléchts voor een bepaalden tijd 1) den arbeider elders tewerkstellen. Afs deze zich op onrechtmatige wijze onttrokken heeft aan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalden tijd, kan de oude werkgever wellicht dus niet volkomen tevreden worden gesteld. Het is dan eenvoudiger -en bevredigender om maar de mogelijkheid van een vergunning „tot wederopzeggens” te aanvaarden.

Eenvoudiger ja! Maar uit een oogpunt van rechtstechniek aan bedenking onderhevig. De schaarsche, maar ondubbelzinnige voorschriften laten nu eenmaal geen ruimte daarvoor.' En als er strijd is tusschen de bewoordingen der wet en een toepassing, die met haar doelstellingen en met het rechtsgevoel overeenstemt, dan gebiedt de rechtszekerheid, dat de tekst beslist Onbevredigend? Neen, ons heele betoog is erop gericht geweest aan te toonen, dat de bestaande 'bepalingen niet geheel bevredigend en toereikend zijn. Slechts door betere ervoor in de plaats te stellen kan de rechtsvorming en de rechtszekerheid worden gediend, niet door met ontoereikende rechtsregels te

Naschrift. Door omstandigheden- ligt er geruimen tijd tus-

Vgl. hiervoor p. 123/4. *) H. Tormin in een opstel, getiteld: Von der richtigen Rechtsanwendimg in der Arbeitseinsatzverwaltung (Arbeitseinsatz und Arbeitslosenhilfe 1942 p. 101 e.v.) p. 104.

schen hét oogenblik, waarop deze aantdtekeningen werden begonnen en waarop ze worden afgesloten. Teneinde het geheel nog zooveel mogelijk af te ronden vólgen hier nog eenige aanvullingen op de beschouwingen, welke reeds in Juni en Juli van dit jaar ®) werden gegeven.

a. Meerdere uitvoeringsbesluiten ten aanzien van de Dienstverplichtingsverordening zijn niet verschenen. De is thans echter ook over Nederland zelf veel verder uitgebreid. Voorschriften daartoe worden' gegeven in algemeene circulaires van den Directeur-Genéraal van het' Rijksarbeidsbureau, die daarbij gebonden is aan de opdrachten van de Hauptabteilung Soziale Verwaltung van het Rijkscommissariaat, en in aanwijzingen van de Duitsche autoriteiten voor bijzondere gevallen; vgl. circulaire van den Directeur-Generaal R.A.B. dd. 24-6-1942.

b. In Mededeelingenhlad van 30-7-1942 wordt een vraag gesteld over het oogenblik, waarop de dienstbetrekking bij verplichte tewerkstelling in het' buitenland aanvangt (vraag 73, abusievelijk 72 genummerd). Als antwoord wordt gesteld; het tijdstip waarop de zg. Anwerbebestatigung wordt geteekend. Een voors'chrift als waarvan wij de wenschelijkheid op p. 157 onder h betoogden, is hiermede dus gegeven. het bevredigend zal werken, waag ik op grond de daar reeds gegeven beschouwingen in twijfel te trekken, te meer omdat in de practijk meermalen blijkt, dat de reeds geteekende Bestatigung door qen andere moet wordefi vervangen tengevolge van een verandering in de vervulling van de zg. Reichsauftrage. De finan-. cieele schade, welke van deze Umstellung het gevolg kan zijn, kan toch bezwaarlijk ten laste worden gebracht van den werkgever, die den arbeider tenslotte

*) Zie noot 1).

niet eens te werk kan stellen.

c. In de practijk is de vraag gestald, of de werkgever, die tefi behoeve van zijn arbeider een • pensioenverzekering heeft gesloten, verplicht is de premie daarvoor ■te blijven betalen tijdens de verplichte tewerkstelling van den arbeider in een ander bedrijf, al dan niet in het buitenland. Met een beroep op de tekst van art. 2 lid i- der Vo., dat aan den arbeider tijdens zijn tewerkstelling elders elke aanspraak op loon of andere inkomsten ontzegt, kan deze vraag niet worden beantwoord. Immers al moge de premie, aan den verzekeraar verschuldigd, loon zijn wat nog Zoo zeker niet is, als het pensioen in den vorm van een verzekering voor rekening van een derde (art. 264 W. v. K.) wordt vastgelegd in ieder geval – blijff zij ook ' verschuldigd, als de arbeider elders tewerk wordt gesteld, terwijl de dienstbetrekking blijft bestaan. Mag de werkgever, die haar verschuldigd is, de premie nu in rekening brengen aan den werkgever, die tijdelijk van de diensten van den arbeider gebruik maakt? Ik acht het billijk, maar een wettelijke grondslag bestaat er voor dit verhaal m. i. niet.

_ d. In het Itetoog, dat op p. 158 onder e is gehouden, wordt niet gerept van de sinds i Mei 1942 gewijzigde bewoordingen van de Vo. waardoor met „het Arbeidsbureau” ',,de door den Rijkscommissaris (Commissaris-Generaal voor Bijzondere aangelegenheden) gemachtigde instantie” gelijk wordt 'gesteld. Op de hoofdpunten van het betoog doet deze wijziging niets af. Men kan zich echter wel afvragen, of bij de verandering voldoende rekening is gehouden met de beteekenis, die men aan art. 2, lid 3, moet toekennen. „de dienstbetrekking” daar genoemd aanduidt ,’de dienstbetrekking, ontstaan door de ver-