is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 1, 1918, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is er op te letten, dat van deze verandering van woonplaats aan het gemeentehuis ter plaatse, waar men zich vestigt, mededeeling op de pas wordt gedaan, daar anders het Consulaat, waaronder de arbeider alsdan ressorteert, op die pas geen visum verleent.

2. Consulaats-districten.

Ressort der Duitsche Consulaten (resp. Passstellen) in Nederland.

Amsterdam. De provinciën Noord-Holland en Utrecht, benevens Zuid-Holland ten noorden van de spoorlijn ’s-Gravenhage—Gouda—Woerden, deze steden inbegrepen.

Rotterdam. Het overige gedeelte ean Zuid-Holland (met Scheveningen), Noord-Brabant ten westen van de lijn, getrokken van Tilburg naar Heusden.

Maastricht. De provincie Limburg.

Vlissingen. De provincie Zeeland.

Arnhem. De oostelijke provinciën en het overige gedeelte van Noord-Brabant.

3. Yer gunningen tot uitvoer van levensmiddelen voor arbeiders die in Duitschland gaan werken.

Arbeiders, die naar Duitschland gaan werken, kunnen in het genot gesteld worden van een vergunning tot uitvoer van een bepaalde hoeveelheid levensmiddelen, t.w. 7 pond bruin- of roggebrood en pond spek of vet (echter geen boter, margarine of planten vet).

Zij, die in Duitschland werken en die zich op den dag, waarop zij naar Duitschland vertrekken, niet hebben kunnen voorzien van de voor uit voer toegestane hoeveelheid van IJK. G. spek of vet, mogen in de plaats daarvan een even groote hoeveelheid worst of vleesch medenemen.

Verder zal voortaan aan de eens per week naar Duitschland reizende werklieden worden toegestaan het medenemen van een klein, gebruikt stukje toiletzeep. Arbeiders, die dagelijks de grens overschrijden, mogen echter in geen geval zeep bij zich hebben.

Ter verkrijging dezer vergunning vervoegt de arbeider zich ten gemeentehuize of bij den daartoe door den burgemeester van zijn woonplaats aangewezen ambtenaar.

Indien uit de pas blijkt, dat de arbeider met zijn gezin ter plaatse woonachtig is en de pas voorzien is van een „Dauersichtvermerk” voor 3 maanden, waaruit tevens blijkt, dat de arbeider geregeld wekelijks heen en weer reist, kan hem de vergunning worden verleend.

Vooral diene men er op te letten dat op de vergunningskaart worde ingevuld : links het Nederlandsche station van in- en uitgang en rechts het No. van de pas. Het No. bovenaan de kaart moet niet worden ingevuld, daar zulks aan het Nederlandsche grensstation geschiedt.

(Zie voor zoover noodig de circulaire van den Minister van Financiën dd. 15 Februari 1917, waarbij echter de daarin genoem-

7