is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 1, 1918, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een rol van veel meer beteekenis dan de goudproductie. Toch schijnt mij deze opmerking ook van beteekenis voor den invloed van de vermeerdering van de papiercirculatie, want ook daarvoor geldt, dat de vermeerdering van de hoeveelheid ruilmiddelen zonder meer nog geen invloed heeft op de prijzen. Ik geef toe, dat een vermeerdering van papieren ruilmiddelen, (die zooveel gemakktlijker gaat dan vermeerdering van de goudproductie), in proporties als waarover ik zooeven sprak bij de goudproductie, wel degelijk invloed zal hebben. Intusschen zal daarbij moeten worden aangetoond, dat de vermeerdering niet alleen qua talis is te constateeren, maar dat daaraan ook te verbinden is een wijziging in de waardeertng van het ruilmiddel tegenover andere goederen. Ook te dien aanzien wU het mij in alle bescheidenheid voorkomen, dat het betoog van Mr. VAN Dorp niet afdoende is. Er wordt te veel verondersteld, zonder dat het duidelijk wordt gemaakt, en ik acht het de groote verdienste van het praeadvies van den heer Keesing, dat hij duidelijk maakt dat er weliswaar is een ontzaggelijke vermeerdering van de hoeveelheid ruilmiddelen, maar dat daarnaast optreden zeer gewichtige elementen, ontleend aan het verloop van de goederen productie, die aan de vermeerdering van de hoeveelheid ruilmiddelen voor een groot deel het bedenkelijke karakter ontnemen. Dat legt nog eens te meer den plicht op aan ieder, die spreekt van inflatie, die aanneemt een te groote vermeerdering van de hoeveelheid ruilmiddelen als oorzaak van het prijzenverloop, om duidelijk te maken dat inderdaad de oorzaak ligt bij het ruilmiddel, dat zij niet kan liggen bij de algemeene omstandigheden van 'de goederen productie.

Mijnheer de Voorzitter ! Ik zou in de tweede plaats een enkele opmerking willen maken omtrent het verband • tusschen de wisselkoersen en den achteruitgang van de valuta. Mr. van Dorp bestrijdt de gangbare voorstelling, dat de achteruitgang van de wisselkoersen wordt veroorzaakt hierdoor, dat tegenover overgroot aanbod geen voldoende vraag staat. Op blz. 243 zegt zij zelfs :

~Men ziet hieruit dus dat de geheele bewering van de voortdurend grootere vraag en het voortdurend kleinere aanbod van wissels evenals ze theoretisch een onmogelijkheid is een fabel is.”

Wanneer men sterk den nadruk legt op dat woord voortdurend, en wanneer men zeggen zou : er is voortdurend een ovèrschot aan den eenen kant, waartegenover staat voortdurend een tekort aan den anderen kant, dan is de stelling van Mr. van Dorp natuurlijk juist, maar dan kan er ook geen verschil van gevoelen over bestaan : op den duur moet de betalingsbalans in den eenen of anderen vorm vereffend worden, op den duur zal men moeten overgaan tot het zenden van goud, tot het leveren van goederen, tot het aanvullen door credieten of door valutaleeningen of tot eenig ander middel van vereffening.