is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 1, 1918, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pectievelijk 27% en 9|% arbeiders van elders betrekken.

De bijslag van eerstgenoemde gemeenten zou dus respectievelijk met 6, lOf en 2|% verminderd en die van laatstgenoemde gemeente met 27 en 9J% vermeerderd moeten worden.

Deze berekening wil ons echter niet practisch voorkomen en zal tot vele moeilijkheden aanleiding geven.

De eenvoudigste en billijkste regeling kan worden verkregen, wanneer als grondslag voor de berekening genomen wordt, het aantal arbeiders, hetwelk in de gemeenten werkzaam is.

Aan de hand van de hiervoor aangegeven cijfers, welke natuurlijk jaarlijks op een bepaalden datum opnieuw moeten worden vastgesteld, zou door de gemeenten Eindhoven, Woensel, Stratum, Gestel, Strijp en Tongelre respectievelijk moeten worden bijgedragen 33, 24, 13, 11, 18 en 1% van de totale uitgaven.

Nemen we nu aan, dat het gemiddelde bedrag der contributies bedraagt / 2.60 per lid en per jaar, hetwelk nagenoeg uitkomt, dan zou de totale opbrengst daarvan zijn / 8402.50. Van dit bedrag neemt het Rijk voor zijn rekening / 4201.25, terwijl de gezamenlijke gemeenten eveneens met eenzelfde bedrag zullen worden belast.

Het aandeel van elk der gemeenten zal mitsdien respectievelijk bedragen ƒ 1386.41|, ƒ 1008.30, ƒ 546.16|, / 462.14, / 756.22J en / 42.01|.

In hoeverre het bezwarend is een bindend voorschrift in het leven te roepen, dat als regel stelt steeds een bijslag van 100 % op de werkelijk ingekomen contributies te doen verleenen, laten we thans buiten beschouwing. Het gaat immers thans uitsluitend over de vraag, welke belangengrens voor elk der gemeenten wordt vastgesteld.

Het schijnt ons toe, dat op bovenstaande wijze eene oplossing kan worden verkregen, hoewel eene radicale oplossing ook van dit vraagstuk alleen zal kunnen brengen eene vereeniging der betrokken gemeenten tot ééne gemeente.

Het zal ons aangenaam zijn te vernemen of met den laatst voorgestelden maatstaf genoegen wordt genomen en deze in eene overeenkomst kan worden vastgelegd”.

De hierop ontvangen antwoorden waren van dien aard, dat wij van verdere onderhandelingen, zonder tusschenkomst, vooreerst geen resultaat verwachtten.

Wij schreven daarom o.m. naar den Minister van Waterstaat:

„Wij zijn overtuigd en de betrokken gemeentebesturen voor zoover ons bekend is, evenzoo, dat met betrekking tot deze sociale verzekering, samenwerking tusschen die gemeenten noodzakelijk is.

De voortdurende mutatiën in de bevolking der gemeenten, die geheel in elkander zijn gebouwd, zou bij afzonderlijk handelen, een zeer omvangrijke administratie zoowel voor de