is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 1, 1918, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de uitkeering toe aan iemand die weigerde tegen een lager uurloon en slechts zeven uur daags te gaan werken bij zijn patroon die hem vroeger steeds hooger loon had gegeven. De Verzekerings-ambtenaar was van oordeel dat deze man had moeten aannemen tegen lager loon en met verkorten arbeidsduur te arbeiden, daar tengevolge van den oorlog, de werkgever wel tot dezen maatregel moest overgaan om zijn personeel aan den gang te kunnen houden. In deze buitengewone omstandigheden mocht z. i. iemand niet ten laste van het Werkloosheidsfonds komen, wanneer hij, door zich een kleine loonsvermindering te laten welgevallen, nog geruimen tijd werk had kunnen behouden. De Umpire echter maakte in zijn beslissing geen onderscheid voor de bijzondere omstandigheden, meende dat aan dien arbeider feitelijk een nieuw werkaanbod was gedaan en dat deze het dus mocht weigeren op grond dat het loon lager was dan hij gewend was te verdienen. (826).

Ook een los werkman die wel eens een keer hooger loon verdiend had, maar zeer vaak werkloos was, en werk tegen lager loon weigerde, werd de uitkeering geweigerd. Hij kon niet aannemelijk maken ~gewoonlijk” meer te verdienen, waar zijn werk zoo los en onregelmatig was. ~Normale onregelmatigheid van werk, is, naar de meening van den Umpire, ~een factor dien men in aanmerking moet nemen bij de beoordeeling of de voorwaarden in een bepaald geval al of niet ongunstiger zijn dan in een ander.”

In een geschil omtrent de vraag of iemand werk als niet passend had mogen weigeren, hem aangeboden tegen het standaardloon met toepassing bovendien van een premie-stelsel dat alle arbeiders bij dien werkgever in staat stelde boven dit loon uit te gaan, en wel op grond dat hij vroeger stuiver per uur meer verdiend had, besliste de Umpire dat de betrokken arbeider met deze weigering zijn recht op werkloosheidsuitkeering verbeurd had. (832). Wanneer hij na een eerlijke proef niet in staat was gebleken om evenveel te verdienen als vroeger, had hij daarin misschien een gegronde reden gehad om zijn werk op te geven. Natuurlijk ■— meende de Umpire —• kan geen enkel premie-loonstelsel a priori een absoluten waarborg geven dat een arbeider meer kan verdienen dan het gewone uurloon, maar er is geen reden, waarom iemand, in de gegeven gunstige omstandigheden, zou mogen weigeren het werk te aanvaarden.

Ongunstige voorwaarden. Het feit dat iemand zich voor een medisch onderzoek moest ontkleeden in tegenwoordigheid van anderen, beschouwde de Umpire als een ~ongunstige voorwaarde”, waarom hij ’t werk mocht weigeren. (596). Niet echter het feit dat iemand vuil werk moest doen, waaraan hij niet gewend was. (754).