is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 2, 1919, 1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van hare wenschen. Beter dan een mannelijke beambte zal zij zich een juist begrip kunnen vormen van de. vele, vaak ver uiteenloopende eischen, welke in de verschillende beroepen aan de vrouw gesteld worden.”

„Bij de arbeidsbemiddeling voor vrouwen treedt, zooals uit het bovenstaande blijkt, het individueele element veel meer op den voorgrond dan bij die voor mannen. De ervaring, opgedaan aan beurzen, met eene afzonderlijke afdeeling voor arbeidsbemiddeling voor vrouwen, leert, dat jvrouwen, die in moeilijke levensomstandigheden verkeeren of droeve levenservaringen achter zich hebben, de leidster dier afdeeling tot haar vertrouwde maken, haar hart voor haar uitstorten .

is dan ook bewezen, dat de bemiddeling voor de vrouw alleen door de vrouw volkomen tot haar recht komt.” Als de steller van dit verslag, zijnde de Directeur der Dordtsche arbeidsbeurs aan zijn betoog ook nog de opmerking had toegevoegd dat de bemiddeling van vrouwen door vrouwen ook daarom preferabel is, omdat dan tevens beter voor het zedelijk heil der vrouwelijke werkzoekenden kan gezorgd worden, dan gelooven wij dat hy op den hoogsten lof van de zijde der voorstanders van dit principe kan aanspraak maken.

Zooals het met meer leuzen het geval is, gaat het o.i. hier wel wat meer om de leuze dan om de zaak. En ten slotte kan het resultaat van het zonder ophouden verkondigen eener stelling zijn dat men zich zelf en anderen van de onfeilbaarheid en onveranderlijkheid dier stelling overtuigt. Dat mag evenwel een op dit punt meer critisch aangelegd beoordeelaar niet beletten de onderhavige kwestie te bezien los van leuzen of tendenzen. En te meer is daar plicht toe, omdat zou een objectief onderzoek van het vraagstuk tot steun der hierbedoelde opvatting strekken, —men ook de consequenties onder de oogen moet zien en aanvaarden die aan een zoodanig betoog vastzitten. Wij voor ons zijn er nog altijd van overtuigd dat indien de arbeidsbemiddeling voor vrouwen inderdaad zoo hemelsbreed van die der mannen verschilt, dat men dan ten slotte moet komen tot een geheel afzonderlijke bemiddeling voor beide seksen. Indien bij de placeering voor vrouwen zulke geheel andere, specifiek vrouwelijke beginselen naar voren komen, dan bij die voor mannen, dan zal men de toepassing dier beginselen, de leiding dier bemiddeling ook in de zelfstandige handen moeten leggen eener vrouw. Aanvaarding van deze voorwaarde zal moeten leiden tot aparte vrouwenarbeidsbeurzen. Trouwens de meest principiëele voorstanders der hierbedoelde leer aanvaarden deze consequentie dan ook.

Bij een onderzoek naar de vraag of inderdaad de bemiddeling voor vronwen zoo gebeel verschillend van die voor mannen is, alleen op grond van het feit dat men hier met mannelijke en daar met vrouwelijke werkzoekenden te doen heeft, moeten we eerst in het oog houden hoe men eigenlijk tot de meer