is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 2, 1919, no 9, 1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEN Tempel even veel recht heeft om allerlei mooie voorspellingen te doen omtrent dat staatssocialisme, ale de heer Levt heeft om ze te bestryden. Naar mijn bescheiden meening weten zij er beiden precies even veel van, d.w.z. niets. Daarover zijn wij het nu wel eens dat, als het socialisme ooit zal komen, het alleen zal komen langs den weg van een zeer lange, geleidelijke ontwikkeling. Br znllen dan allerlei tusschenstadia moeten zijn tusschen het heden en die verre toekomst, waarin dan een ontwikkeling zal plaats hebben van allerlei factoren, ook van de staatsmacht. En als men dan beweert dat de Staat vandaag iets niet kan, dan zegt dat naar mijn bescheiden meening «.iets omtrent hetgeen de Staat in de toekomst misschien wel zal kunnen. Wij kunnen daaromtrent hier allerlei fantasiën ten beste geven, zonder eenigen materieelen grondslag, aangezien wij weten langdurige ontwikkeling zou moeten plaats hebben voor er iets van komen kan; een ontwikkeling ook van den arbeider, die zeker een geheel ander mensch zal moeten zijn geworden, voor er van socialisme sprake kan zijn. Dat is dus alles in mijn oog volkomen onvruchtbaar en daarom zal ik mij daarin niet begeven. Ik wensch meer op den beganen grond te blijven. Wij hebben inderdaad genoeg aan de vraagstukken, die thans voor ons liggen. Elke dag heeft zijn eigen kwalen, zegt men wel. Men kan zeker hetzelfde zeggen van elk tijdperk en ik geloof, willen wij vruchtbaren arbeid doen, dat wij ons moeten bepalen tot den toestand van vandaag en ons moeten afvragen: wat kan inzake de werkloosheid nu gebeuren?

M. d. V.! Ik heb er prijs op gesteld, in dezen kring van op dit gebied bevoegden een enkel wooj'd te zeggen over een denkbeeld, dat ik reeds in 1905 in de Tweede Kamer heb uitgesproken en dat denkbeeld aan de beoordeeling van deze vergadering te onderwerpen: het staat in nauw verband met het vraagpunt dat ons is voorgelegd en zal tot de beantwoording er van kunnen bijdragen. Ik heb in 1905 beweerd, en ik meen nog dat dit juist is en dat er een begin van uitvoering van dit denkbeeld gaat komen, dat de werkloosheid eerst ernstig betreden zal worden op het oogenblik, dat men de gevolgen van de werkloosheid legt op het bedrijf, dat men het bedrijf aansprakelijk stelt voor de risico’s van de werkloosheid. Op de vraag, in hoeverre door samenwerking van ondernemers en vakarbeiders, o.a. door collectieve contracten, invloed kan worden uitgeoefend op de werkloosheid, zon het antwoord dns naar mijn meening moeten luiden: dat kan in sterke mate, als de geldelijke gevolgen van de werkloosheid grootendeels op het bedrijf worden gelegd, en dat zal dus door collectieve contracten alleen dan kunnen gebeuren, als zij het geheele bedrijf omvatten.

Tot dat denkbeeld ben ik gekomen, niet door een inval in de studeerkamer, maar door hetgeen ik zag geschieden met de Duitsche G-enossenschaftskassen. Toen de Genossenschaftskassen