is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 2, 1919, no 9, 1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de vroegere bepalingen teruggekomen, In WürUemberg ecbter zijn ingrypende bepalingen gemaakt. In Baden is de uitoefening der arbeidsbemiddeling als bedrijf verboden en zijn voor de arbeidsbemiddeling slechts die niet als bedrijf werkende arbeidsbeurzen toegelaten, welke zich aan de bepalingen van den Staatscommissaris voor de economische demobilisatie onderwerpen. Werkgevers en overheid zijn verplicht van de open plaatsen aangifte te doen; verder moet bij opzegging, dus 14 dagen voor het ontslag, aan de arbeidsbeurs en bij het geven van ontslag op grooter schaal ook aan de „Landesstelle fiir Arbeitsvermittlung” hiervan mededeeling worden gedaan. Bizondere bepalingen zijn gemaakt om in het arbeidsbeurzen wezen eenheid te brengen.

Voor de Thüringsclie Staten bestaat een verordening welke in de oprichting van hoofdarbeidsbeurzen en bijbeurzen voorziet.

De gebrekkige uitvoering van de verordening van 9 December 1918, welke slechts de groote lijnen aangeeft, toont wel zeer de noodzakelijkheid van een regeling door een rijkswet aan.

SOCIAAL-AGEAEISOHE HEEVOEMINGEN.

In het begin van dit jaar zijn eenige verordeningen op agrarisch gebied uitgevaardigd, met het doel aan den landbouw de zoo noodige werkkrachten toe te voeren, en tevens de werkloosheid in de steden en industrieele centra te verminderen.

Be verordening der Bijlcsregeering van 29 Januari 1919 beoogt een stelselmatige vermindering van het grootgrondbezit daar, waar dit zich op bedenkelijke wijze heeft uitgebreid en zich in handen van niet-vaklieden bevindt, benevens een beschikbaarstelling van het aldus vrijkomende land, evenals van het meeste domeinland, moerasland en woesten grond voor de vestiging van landbouwers.

Door de Bondsstaten moeten kolonisatieondernemingen (Siedlungs-unternehmungen) worden opgericht, meest met overheidskarakter bekleed, die met de vertrouwenslieden van de kolonisten en van de vroegere bezitters hebben samen te werken. Zij moeten zorgen voor het beschikbaar stellen van land. Aan deze ondernemingen moeten staatsdomeinen bij afloop van het pachtcontract te koop worden aangeboden, met uitzondering van bepaalde proefvelden. Zij kunnen ongecultiveerden, voor het steken van turf gebruiken of woesten grond onteigenen. Op stukken grond, die voor landbouw geschikt en grooter zijn dan 20 H.A. hebben zij een recht van voorkoop.

De groote landeryen moeten in de gebieden, waar zij (met inbegrip van domeinen) meer dan 13% van de voor den landbouw geschikten bodem uitmaakten volgens de bedrijfsstelling, die in 1907 voor den landbouw heeft plaats gehad, zich aaneensluiten tot rechtsbevoegde „Landlieverungsverbande”, die, indien dit verlangd wordt, tot van de bebouwbare oppervlakte der groote landgoederen aan de kolonisatieonderneming