is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 3, 1920, 1920 [Bijlage]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trale vakverbonden in de gelegenheid zijn gesteld een aanbeveling aan voornoemden Minister in te dienen. Voor elk lid wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen.

Voorzitter dezer commissie is een der ministers, door de Kroon aangewezen op voordracht van den Minister van arbeid; op gelijke wijze wordt een plaatsvervangend voorzitter benoemd.

Aan de commissie wordt een secretaris toegevoegd, te benoemen door den Minister van arbeid, de commissie gehoord. Den secretaris kan een door voornoemden Minister te bepalen vergoeding worden toegekend. Art. 2. De commissie beeft tot taak :

a. te onderzoeken, of de tijdstippen voor de uitvoering van werken voor rijksrekening zoodanig uitgesteld of vervroegd kunnen worden, dat arbeiders bij deze werken zooveel mogelijk regelmatig werkgelegenheid vinden;

b. advies te verstrekken, welke werken voor rijksrekening kunnen worden uitgevoerd, zoodra een verminderde bedrijvigheid in Landbouw, Handel of Nijverheid het wenschelijk maakt, de door de overheid verschafte werkgelegenheid uit te breiden;

c. na te gaan, onder welke voor waarden in tijden van verminderde bedrijvigheid in Landbouw, Handel of Nijverheid uitgestelde werken van algemeen nut tot uitvoering kunnen komen;

d. na te gaan, op welke wijze moeilijkheden, die in den weg staan aan verruiming van werkgelegenheid, niet bestaande in uitvoering van rijkswerken, kunnen, worden opgeheven;

«. adviezen uit te brengen en voorstellen te doen aan de betrokken departementen betreffende datgene, wat kan worden genaan of nagelaten, om door het verschaffen van werkgelegenheid werkloosheid te voorkomen of te verminderen.

Art. 3. De commissie is bevoegd aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur te verzoeken, een onderzoek te doen instellen en rapport te doen uitbrengen over alles, wat tot vervulling van hare in art. 2 omschreven taak noodzakelijk is.

Indien de commissie zelfstandig een onderzoek wenscht in te stellen, geeft zij hiervan vooraf kennis aan de departementen van algemeen bestuur, onder wie de zaak, waarnaar een onderzoek zal worden ingesteld, geacht wordt te ressorteeren.

Art. 4. Vóór 1 April van elk jaar brengt de commissie aan de Koningin verslag uit van hare verrichtingen over het afgeloopen kalenderjaar.

Art. 5. De kosten der commissie komen ten laste van hoofdstuk Xa der Staatsbegrooting.

Art. 6. Dit besluit treedt in werking op een nader door de Koningin te bepalen tijdstip.