is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 4, 1921, 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

benoodigdheden goedkooper worden, wanneer het arbeidsloon in evenredigheid daarvan wordt verminderd. De uitspraak, die den Amerikaanschen President Harding wordt toegeschreven, n. 1. dat lage prijzen geen belang zijn voor de arbeiders, is in dit verband volkomen juist. In een land als het onze, met zijn vele ~nieuwe rijken”, wil het me zelfs voorkomen een nadeel te zijn voor de arbeiders als loonen en prijzen gelijkelijk naar beneden gaan, daar hierdoor de koopkracht van het als ~oorlogswinst” gewonnen geld grooter wordt en daarmede de verhouding tusschen de bezitters en niet-bezitters nog schriller.

Dat de groote werkloosheid bij de veel te lage uitkeeringen het pauperisme sterk in de hand werkt, zal door niemand worden geloochend. De geneigdheid tot werk aanvaarden zal door die kleine uitkeeringen niet worden vergroot, omdat in de vakken, die in de eerste plaats voor bescherming in aanmerking komen, geen werkaanbod wordt gedaan. De slechtgesteunden, verslappen, hun energie wordt op den langen duur gedood en ook dat beteekent voor de natie een groot, zij het dan niet in concrete cijfers uit te drukken, verlies.

Daarom is bescherming van die industrieën, die vóór den oorlog levenskrachtig waren, in dezen tijd een nationaal belang.

De tegenstanders van die bescherming hechten zich m. i. te veel aan dogma’s, willen vaak de dingen alleen heel groot zien en letten niet op wat de practijk alom vordert. Engeland, het klassieke land van den vrijhandel, verzette de bakens en stelt zich teweer tegen de valuta-concurrentie ; Zwitserland, dat ook reden heeft om in het algemeen vrijhandel voor te staan, zag zich genoodzaakt beschermende bepalingen in het leven te roepen; Amerika, dat altijd beschermde, versterkt de muur, die de nationale industrie beveiligt.

Nederland moet echter tot het uiterste vrijhandel blijven voorstaan, heet het. Uit hoofde van velerlei belangen. Ik versta dit niet. Er wordt gewaagd van mogebjke repressaille. In hoeverre deze te wachten is, waag ik niet te beoordeelen, maar het lijkt toch zeer onwaarschijnlijk. Als Nederland de dingen, die het zelf economischer kan maken dan ze uit het buitenlapd te betrekken, belast, zouden de andere naties dan daarom de dingen weigeren die ze van ons het best en billijkst koopen kunnen. Zouden de Duitschers weigeren boter en kaas, aardappelen en groenten van ons af te nemen in ruil voor steenkool, enkel omdat we onze meubelen en ons drukwerk liever zelf maken ? Wat Duitschland niet noodig heeft, belast het reeds. De confectiefabrikanten in ons land vragen te vergeefs om bescherming, doch een groote confectiefabriek te Amsterdam is genoodzaakt een fabriek even over de grens op te richten, omdat Duitschland de goederen, die deze fabriek sinds jaren daarheen verkocht, thans weigert toe te laten. Duitschland stelt zich dus op het standpunt, dat alles wat het land ver-