is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, jrg 4, 1921, 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staking of omgekeerd”. Bemiddelt de beurs in de bedoelde gevallen wèl, dan loopt zij kans het vertrouwen van één van beide partijen te verliezen. De Eed. teekent hierbij aan, dat er geen sprake van kan zijn, dat zuiver administratieve bemiddeling de reputatie der arbeidsbeurs zou schaden. Zij acht het bekend, dat de betreffende bepalingen in de verschillende verordeningen op de arbeidsbeurzen zijn ontstaan onder den druk van vakvereenigingen, die in haar vroegere zwakke periode daarin een middel zagen, om in geval van staking de positie van het bedrijf, waarin werd gestaakt, te verzwakken”.

De heer v. L. meent, dat de betreffende bepaling ook door vele werkgevers wordt goedgekeurd. Hij zegt, dat deze „onthouding” dus geen „administratieve tuteele” is. De Eed. merkt echter op, dat de onthouding der arbeidsbeurzen ook tengevolge heeft, dat het Eijkspassenbureau niet medewerkt. Daardoor kan men bij een konflikt geen arbeiders uit het buitenland krijgen, waardoor de arbeiders volgens de Eed. positief gesteund worden.

Verder had de schr. van het bedoelde art. aan de beurzen verweten, dat zij zich ten gunste van den arbeider met de arbeidsvoorwaarden bemoeien. De meeste beurzen bemiddelen n.l. niet indien de aangeboden arbeidsvoorwaarden ongunstiger zijn, dan die, welke neergelegd zijn in een kollektief kontrakt voor de betrokken industrie of dan die, welke door de betrokken vakkommissie van toezicht als algemeen geldend erkend worden. De heer v. L. meent, dat de arbeidsbeurs de vaststelling der arbeidsvoorwaarden daardoor aan de „vrije” overeenkomst tusschen tusschen werkgever en werknemer overlaat. De Eed. bestrijdt dit, door er op te wijzen, dat ook hier de „onthouding der arbeidsbeurzen” konkurrentie der buitenlandsche arbeiders uitsluit. „De vrijheid van den industrieleider om (hierdoor) een voor de industrie dragelijke verhouding tusschen gepresteerden arheid en genoten loon te brengen wordt (zoodoende) beknot.”

De heer v. L. verbaast zich erover, hoe men spreken kan van een „administratieve tuteele” der beurzen, als zy zich aanpast by de normen, die door belanghebbende zélf zyn gesteld.

Uitvoerig behandelt de heer v. L. verder het reeds genoemde bezwaar inzake de aanneming van buitenlandsche werkkrachten. De Direktenr der arbeidsbeurs moet aan het Eykspassenbureau verklaren, dat voor de betreffende arbeid geen Nederlanders beschikbaar zyn en eerst dan machtigt genoemd bureaa deh betrokken konsul tot het viseeren van het paspoort. Bg staking wordt de bedoelde verklaring door de Direktenren der beurzen niet afgelegd. Volgens den heer v. L. konstateert de beurs slechts of er wel of niet arbeiders beschikbaar zyn voor het aangeboden werk. Z.i. ligt dit geheel in de lijn, der politiek ten aanzien van de toelating van vreemde arbeiders door de Eegeering gevolgd. „Dat zg aldus handelt in een tyd van