is toegevoegd aan uw favorieten.

Pius-almanak ...; jaarboek van katholiek Nederland, jrg 7, 1881, 1881

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ziekelijk nu wel niet”, antwoordde de schilder, „maar gij hebt altijd te veel aan den weemoed, die u bezielt, toegegeven en daarvan dragen uw gedichten de duidelijke kenteekenen ”

„Wat heeft Göthe, Schiller, later Heine en zoo menig fransche dichter gedaan f ” viel Edmund met een overtuigenden blik den ander in de rede.

„Ik beken, zij gingen dikwerf aan hetzelfde euvel mank, hoe grootsch en bewonderenswaardig zij ook in hun scheppingen mochten zijn; maar al straalt het schitterendst genie u uit hun werken tegen, toch mag het ongeraden héeten, hen in datgene na te volgen, wat een degelijk kunstenaar van den tegenwoordigen tijd veroordeelt.”

„Wilik je eens wat zeggen”, hernam de gramstorige dichter, „je hebt daar in Parijs alle gevoel voor godsdienst verloren, om enkel voor de koude werkelijkheid, inclusief het ongeoorloofde genot te leven”.

„Dragen mijn schilderijen daar de teekenen van? Ik vraag dit omdat gij ze op dit oogenblik met uw bijzondere aandacht schijnt te vereeren.”

„Kunt ge dat nog vragen? Ontdekt het oog in uw atelier niet overal de zinnelijkste voorstellingen, vrouwen in wufte houdingen, meisjes in ongeoorloofde kleedij? Ja zelfs in de bladeren der boomen, die de schoonste groepen in uw landschappen vormen, in uw bloemen, planten en struikgewassen vindt men een „iets” dat men eigenlijk niet noemen kan, maar dat enkel tot de zinnen spreekt, en daardoor het harte prikkelt; zie maar eens hier”, en Edmond liep met den vinger de gansche rij schilderstukken langs, welke het atelier van den kunstenaar versierde.

„Welnu, ik heb de natuur trachten weer te geven zooals zij zich werkelijk voordoet” klonk de onjuiste verdediging van den schilder, „en ik meen dat mij dit, op weinige uitzonderingen na, gelukt is”

„Het is uw talent niet dat ik aanval,” ging de dichter voort, „ik heb zelfs eerbied voor het geniale dat