is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 47, 1897, no 277-282, 1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook in het andere leven van hem gescheiden zijn.” Nogmaals klonk het: « ik wil niets van uwen God weten, ik zal Hem nimmer aanbidden. Red toch mijn broeder!”

Voor dezen geliefden broeder was alle gevaar nog lang niet pweken , toen ook de > leine Catchie door den verschrikkeliiken geesel werd aangeta,-,t, en korten tijd nadien gevoelde ook binna-fai op hare beurt, dat zij een slachtoffer der ziekte was Men bracht ze naar het gasthuis bij haren zwaar zieken broeder, en binnen een zeer kort tijdsverloop stond ook de arme Tai aan de poort der eeuwigheid. Hare diepliggende oogen en de doodsbleeke kleur van haar aangezicht maakten haar onkenbaar en ieder oogenblik kon de dood zijn slag slaan. Haar wil bleef echter onverzettelijk, en met dezelfde hardnekkige vasthoudendheid bleef zij weigeren christen te worden.

Wilt gij, dat men den pater roepe om ute doopen ? vroeg baar een der Tertiarissen.

Ik wil mets van uwen God weten, antwoordde het stiifhoofdig kind.

Juist op dit oogenblik kwam ik aan , voorzien van miin onfeilbaar redmiddel in de grootste moeilijkheden : het water van n l T Sinna-Taï reeds een medalie van 0. L. V. der Olijven om den hals gehangen.

Ik nader de kleine zieke en zeg haar: « Hier is water van Lüurdes, van onze hemelsclie Moeder; ik zal er u eenige druppels van geven, en zoo gij besluit onzen God, die haar Zoon is, te aanbidden, kan zij u genezen.”

De Onbevlekte Maagd had haar werk reeds verricht. « Uwe Moeder in den Hemel is ook mijne Moeder,” riep het eensklaps veranderde kind uit, en voegde er bij ; « Laat den pater roepen, ik wil hem spreken.”

Zoo had ik dan eindelijk de zoozeer verlangde gunst hekomen. Ik liet den pater verwittigen, die aanstonds kwam. I •• 1 • a.

loen binna-Taï hem zag, riep zij uit; « Gij zijt mijn vader, en inv God is mijn God.”

A,

I<2