is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 48, 1898, no 283-288, 1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minste kennis van onzen heiligen godsdienst. Ik vertrouw, dat dit ongelukkig land geheel tof. bekeering zal komen , maar het zal het werk zijn van God , dat eerst na verloop van tijd zijne voltooiing zal naderen

Ik moet ü nog spreken , Eerwaarde Pater, over den « rijkdom” van on.s huis « Welhoe, denkt gij misschien, wat komt ze mij spreken van rijkdom , daar ze zooeven verklaard heeft, dat ze groote behoefte had aan geld om de kinderen te kunnen opvoeden ?”

« Gij hebt gelijk , doch ondanks dat alles zijn wij rijk en Gode zij dank, zullen onze schatten nog vermeerderen.”

Sedert lang gingen wij om met het plan, een toevluchtsoord op te richten voor de arme verlaten vrouwen, maar tot nu toe hadden de omstandigheden ons niet veroorloofd uitvoering te geven aan ons voornemen. Thans beginnen de muren zich te verheffen. Wat een geluk 1 Het viel ons zoo zwaar, die arme oudjes zich zoo pijnlijk langs de wegen te zien voortsleepen, te meer daar wij niet bij machte waren haar te helpen. Weldra zullen wij haar een onderkomen kunnen verschaffen, waar zij niet slechts naar het lichaam verzorgd worden, maar ook de groote genade des Doopsels zullen ontvangen. Reeds komen eenigen naar het huis, met groote moeite voortsukkelend , leunend op een stok. Zij zijn bezig met de gebeden en een weinig van den catechismus te leeren. Eene der uitgeleefden vraagt mij dikwijls : « Wanneer zult gij mij toch mijn huis geven ? Ik ben vermoeid.” Binnenkort zal zij tevreden zijn, maar ik geloof, dat onze blijdschap de hare zal overtreffen. Gij ziet, Eerwaarde Pater, dat ik niet ten onrechte over onze rijkdommen sprak. Zijn immers de zielen dier ouden niet veel kostbaarder dan al het goud der wereld ?

Mijn brief is reeds lang, maar ik moet er nog eenige woordjes bijvoegen. Ik zeide zoo juist tot mijne negerinnetjes: «Ik ga aan onzen Eerwaarden Pater Overste in Frankrijk schrijven; hij is ook u aller vader. Wat moet ik hem van uwentwege zeggen ?