is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 50, 1900, no 295-300, 1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loonei, ook het kwaad gestraft wordt, en als zij iets misdreven hebben, vreezen zij de wraak eener geheimzinnige hoogere macht. Omtrent twee jaar geleden bracht men ons een klein meisje. Een oud grootmoedertje zag de kleine voorbijdragen, en hoerende, dat het kitid naar ons gebracht werd, zeide zij . (( Geef het mij liever; mijne schoondochter heeft geen kinderen, die zal het gaarne grootbrengen.” En zoo geschiedde het. Een jaar lang ging alles goed ; maar eens bezeerde zich het kind hij een val, en sinds kon het niet meer loopen. De grootmoeder was nu boos op haar schoondochter, ómdat deze, zeide zij , niet goed op het kind gepast had ; de schoondochter van haren kan! verweet hare grootmoeder, dat zij een kind genomen had dat voor de Zusters bestemd was. Ik kwam er toen juist voorbij; men liet mij het meisje zien en vraagde of wij ook konden maken, dat zij weer gaan kon. Ik zei, dat men de kleine maar naar het hospitaal moest brengen. Dit deden zij, en eenige dagen later stonden zij ons haar voor goed af, vieezende dat hun anders om het kind nog eenig ongeluk zou overkomen.

Onder de 212 kinderen die wij dit jaar opnamen , hebben wij 12 blinden. Eens kwam de moeder van een dezer laatsten beel ontsteld bij ons aanloopen. « Waar is mijn kind ? Wij zullen het dadelijk hier laten komen.” Nadat de kleine gehaald was en de moeder haar goed had bekeken, zeide zij ; «De buren hadden mij verteld , dat gij mijn kind hadt opgegeten; daarom ben ik er naar komen kijken. Nu heb ik het gezien en nu ben ik gerust.”

Aanvaard, enz.

Zuster Buüaud, dochter van Liefde.