is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 51, 1901, no 301-306, 1901

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na acht dagmarschen was er op de wagens geen plaats meer voor de gezonde vrouwen en kinderen ' omdat wij zooveel gewonden bij ons kregen. Daar nu de arme christenen ons te voet piet konden bijhouden , zochten zij ieder voor zich een goed heenkomen. Vijf uren van de stad H’wangtsjang-dze komen de Sineesche soldaten en de Boksers ons weer op het lijf gevallen. Zij waren verscheiden duizenden sterk en wij hadden maar 150 gewapende manschappen. Na eenige uren vechtens, sneuvelde de aanvoerder der Boksers, en nu wierpen de anderen de wapens weg en sloegen op de vlucht. De Russen keerden zegevierend terug met het Sineesche vaandel en den mondvoorraad van den gevallen aanvoerder; dezen deelden zij met de reizigers , en ook wij kregen ons aandeel. Dat was ons middagmaal; zeker was het duur genoeg gekocht. In den namiddag woonden wij de begrafenis bij van drie Russische soldaten; de officier noodigde den Pater uit om het graf te zegenen. Het was heel aandoénlijk. Die schismatieken hebben heerlijk schoone gezangen , en zijn zeer ijverig in hun godsdienst.

Bij het zien van de aangerichte verwoesting, opgebroken rails, afgezaagde telegraafpalen, verbrande stations, enz. werden onze Russen hoe langer zoo woedender tegen de Sineezen. Zij doodden zonder genade allen die zij ontmoetten ; in minder dan vijf minuten hebben wij er eens zes zien afmaken : ijselijk , om aan te zien!

’s Avonds zouden wij aan het station hij de Songari zijn. Die het eerst hoven op den berg kwamen , barstten uit in vreugdekreten : hoera I hoera ! Zij zagen eene versterking van 150 Russen aankomen, ’s Nachts werd de geestdrift wat bekoeld door een vreeselijk onweer met een stortregen, zooals die hier in Mandsjoerië kunnen zijn; Juist waren wij in een hollen bergweg; het was of alle duivels der bel tegen ons losgelaten waren. Dien heelen nacht kwamen wij maar één uur vooruit, ’s Morgens bereikten wij een berg , aan welks voet de Songari stroomt. Dat was een schoon gezicht. Wij