is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 54, 1904, no 319-324, 1904

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel, dat het kleine volkje van toen af voor de grooteren niet onderdoet in den strijd tegen de gebreken van haar karakter, en allen meer dan vroeger haar best doen om braaf en godvruchtig te zijn.

Keeren wij tot onze eerst-communicanten terug. Allen hadden voor dien dag een nieuw stel kleeren aan van lichtblauwe kleur; de voeten nog enger dan gewoonlijk ingewikkeld in rood lint, een mousselinen sluier op het hoofd, en èen versierde waskaars in de hand. Zoo wachtten zij aan de deur onzei- hidzaal, totdat men haar kwam afhalen.

Paters en Zusters begeleidden haar in processie naar de kapel; daar werden schoone toepasselijke liederen gezongen, en onze kinderen naderden met godsvrucht en vreugde lot Onzen Lieven Heer Jesus. Op haar gelaat blonk de stille, ingetogen blijdschap, die hare ziel overstroomde.

’sAvonds, na den zegen met het Allerheiligste, had de vernieuwing der doopbeloften en de toewijding aan de H. Maagd plaats

Onder de communiekinderen was er een meisje van vijftien jaren, van wie ik u een en ander wil vertellen.

Tijdens de onlusten van 1900 waren velen uit het binnenland , ook heidenen, naar Sje-foe gevlucht, onder meer ook de zuster en een nichtje van eene jonge heidensche weduwe die bij ons in het doopleerlingengesticht was.

Eenigen tijd na hunne aankomst kreeg Tswl-ping (kostelijk vat) zoo heette het nichtje —de typhus, en lag verscheidene dagen als het ware op sterven.

Het gevaar ziende, doopten wij haar; terstond daarop begon zij beter te worden ,en genas werkelijk. Doch wat een teleurstelling wachtte ons ! Pas hersteld, moest zij hare moeder naar huis volgen : deze was voor geen prijs te bewegen om het kind bij ons te laten.

Wij waren zeer bedroefd, bet te moeten aanzien , dat een gedoopt kind onder de heidenen verder zou opgroeien. De tante (onze doopleerlinge) was minstens even bedroefd als