is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 54, 1904, no 319-324, 1904

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«O, tante ; wat ben ik blij 1 Ze zeggen dat het zoo mooi is, en nu zal ik dat voor het eerst mogen bijwonen !” « Zijt gij zoo blij , Leentje,” hernam de Zuster, « maar is het wel zeker, dat gij er bij zult zijn ? Gij weet wel, dat er alle jaren een van de groote meisjes onder de middernachtsmis in het weeshuis moet blijven om op de kleintjes te passen; en als nu Moeder u eens daarvoor aanwees, wat zoudt gij dan wel zeggen ?” « Wel, Tante ,” antwoordde Leentje zonder te ontstellen of van kleur te veranderen, « als de lieve Jesus dat olfertje van mij vraagt, wil ik het heel graag brengen ; gij kunt dadelijk, als gij wilt, over mij beschikken.” Gij raadt zeker wel , lieve kinderen , dat Leentje dien nacht niet bij de kleintjes bleet; maar om baar heel de verdienste van baren goeden wil te laten behouden, zeide men haar dit eerst op het laatste oogenblik ; en toch was zij daarom dien heelen namiddag en avond niet minder vroolijk en opgeruimd.

Eiken avond pleegt de Overste van het weeshuis, eer zij zich naar hare cel begeeft, de slaapzalen der kinderen rond te gaan. Nu, dien avond juist trof zij tot hare verwondering ons Leentje, die bij de deur, naar het scheen, op haar stond te wachten. Terstond viel het meisje voor haar op de knieën en zeide ; « Tante, ik heb u tot nog toe verdriet aangedaan, omdat ik u nooit antwoord gaf als gij mij vroegt waarom ik zoo bedrukt was. Voortaan doe ik zoo niet meer, ik zal u in het vervolg altijd antwoorden, omdat ik wezenlijk uw kind wil zijn.” De Zuster, innig aangedaan, sprak haar eenige vriendelijke woorden toe en wekte haar op om veel tot O. L. V. te bidden, opdat zij aan hare voornemens getrouw mocht blijven. Daarop wilde zij de slaapzaal opgaan; maar Leentje hield haar staande; « Tante, ik heb nog niet gedaan, ik moet u nog iets vragen. Wees zoo goed, en behandel mij voortaan heel en al net als de andere weesmeisjes; laat mijn apart servies aan tafel wegnemen, en vergun mij dat ik al mijn opschik ter zijde mag leggen.” Na de Eerw. Moeder geraadpleegd te hebben , willigde de Zuster haar verzoek in.