is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 54, 1904, no 319-324, 1904

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3e TOONEEL.

De zes kweekelingen. (Zij komen door de achterdeur binnen, Tsa-lin voorop, Sin-a-li en Zim-ma achteraan.')

Tsa-lin (zijn hoedje opnemend): —lk ben de eerste.

Sin-toe; Wat spelen wij ?

Tsa-lin: Met den kaatsbal.

Lo-soen: Zeg , Zim-ma, waar zijn de ballen ?

Zim-ma ; Ja , jongen, dat ’s jammer genoeg, al het Europeesch speelgoed is weg.

Lo-soen ; Hoe spijtig ! en die mooie Fransche knikkers, daar ik zoo graag mee speelde.

Tsa-lin: En die groote holle hallen om mee te gooien, net als kanonskogels van Sjang-hai.

Sin-a-lie : Onze vriendjes uit Europa moesten ons nog eens een kistje speelgoed sturen.

Jam-a : En allerlei moois daarbij.

Zim-ma: Ik heb er al om geschreven.

Tsa-lin: —Nu er toch geen speelgoed is, moesten wij eens den Tartaarschen dans uitvoeren met schoppen en vuiststompen.

Jam-a: Daar heb je ’m weer, dien wildeman I Het is hem nooit woest genoeg.

Sin-a-li: Dan liever zooals ze te Nang-king dansen.

Allen ; Ja ! ja ! {Zij trippelen, met de armen zwaaiend, telkens twee passen voor- en één achteruit; bij het omkeeren staan allen even stil, en maken eenige koddige gebaren.)

Tsa-lin: Dat ’s waar ook: hoe staat het met de verlenging van den speeltijd ?

Zim-ma: Ik heb het niet dadelijk gezegd, om je eens te verrassen : wij hebben een half uurtje langer vrij , ter eere der Fransche soldaten.

Tsa-lin: Nu den Koreeschen wedloop op de groote plaats!

Zim-ma; Tsa-lin, jongen, het spijt mij dat ik ’tje