is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 54, 1904, no 319-324, 1904

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4e TOONEEL.

Dezeliden, behalve Sin-a-li; de Oom.

A-llen [naar links op zij kijkend): Wat is dat daar ?

Tsa-lin: Een Tartaarsche ezel.

iSin-toe; De drijver lijkt wel buiten adem.

Jam-a: Hij komt naar ons toe. (Zij wenken elkaar al lachende)

De oom: Bij den haarstaart mijner voorouders, wil je wel eens vooruitkomen ? {Hij trekt aan een leireep, die achter de schermen vastgemaakt is, en slaat met den stok op iets, dat den ezel moet verbeelden, doch voor de toeschouwers onzichtbaar blijft. Dan maakt hij de leireep binnen aan de deur vast, wischt het zweet van zijn gelaat en neemt zijn hoofddeksel af.) P’he I p’he! is me dat een getob! [Op een barschen toon tot de jongens): Ik moet den baas van de pagode spreken.

Zim-ma : O, Pater Overste , meent u 7 Ik ga hem terstond roepen; wees zoo goed en wacht hier even. {Tot de jongens): Ga jelui nu maar den Koreeschen wedloop spelen op de plaats. Tsa-lin, jij gaat met mij mee. (De jongens loopen door de achterdeur weg, Zim-ma en Tsa-lin rechts af.)

5« TOONEEL.

De oom, alleen; hij stapt op den voorgrond op en neer. Alles wel beschouwd, heeft de Hemel mij een groeten dienst gedaan, dat hij mij de gedachte ingaf en dien nietsdoener van een neef op straat te zetten. Zoo’n vlegel van een die , wat ik ook preekte en er met den stok op sloeg, maar niet leeren wou zonder eten te leven; alsof een mensch zijn geld alleen daarvoor had om rijst te knopen 1 Zoo’n slokop zou je doodarm eten! Nu ben ik hem gelukkig kwijt; ik heb al een aardig penninkje gespaard {hij streelt zijnebeurs), en ik zal al weer gauw bij de 500 piasters, die ik ginds achter in de groote pagode onder den grond gedolven heb, goed