is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 56, 1906, no 331-336, 1906

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het goed dat wij hier doen. Moge Onze Lieve Heer UHw de Heeren van den Raad, al de Leden van Uw Genootschap! overvloedig zegenen en u, niet tegenstaande de droevige omstandigheden, in staat stellen om de begonnen goede werken voort te zetten. Ik behoef u niet te zeggen, dat onze lieve indertjes u met vergeten; zij bidden voor hunne weldoeners; een plicht waaraan zij geen enkelen dag te kort blijven en dien zij met blijdschap vervullen, zoodra zij hebben leeren’ bidden.

En nu, Hoogw. Heer, mag ik wel, tot stichting en opwekking voor de jeugdige Leden van uw Genootschap het een en ander vertellen, dat hun niet onaangenaam zal’zijn.

Daags vóór Kerstmis ontvingen wij een heel bijzonder gegeschenkje. Het was ijzig koud buiten en daar kwam uit het dorp een man bij ons aan met twee korfjes beladen Hy zet ze neer, en wat zie ik? In bet eerste een warmen beeketel, en daaronder eenige lappen en doeken, en verder komt een kinderhoofdje te voorschijn. Daarop begint bij den tweeden korf uit te pakken : weer een warmen theeketel doeken en lappen, en nog twee boofdjes. Ik bewonderde de goedhartigheid van den braven man (bet was een beiden), die om de drie arme bloedjes tegen het gure winterweer te beschutten , hen van een soort van waterstoof had voorzien Ken uur later hadden wij drie kleine christen meisjes meer in huis.

Dit jaar, Hoogw. Heer, heeft men minder kinderen gegeven dan pwoonlijk. De duivel moet zeker een of ander lasterpraatje tegen ons hebben doen uitstrooien, zooals hier vrij dikwijls gebeurt. Het volgende zou het ons doen gissen In de maand Februari 1.1. bracht men ons een klein meisje zonder gehemelte , waardoor de voeding zeer moeilijk om met te zeggen onmogelijk werd. Een heidensche voedster bij ons in dienst, ontmoette eens de moeder van dit arm kind en deze vroeg haar naar haar dochtertje. « Hebben ze haar ” zeide zij, de oogen niet uit het hoofd gehaald ?” en meer der-