is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 58, 1908, no 343-348, 1908

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land doen u onze overzeesche missiën niet vergeten. Moge het altoos zoo blijven, want wij hebben hier te doen met machtige mededingers, en wij moeten een harden strijd voeren, om de werken in stand te houden, die zwaar bedreigd worden. Ons betrouwen berust geheel op de Voorzienigheid, die, hopen wij, niet zal toelaten, dat de handlangers der hel zich meester maken van eene missie, die ons zooveel arbeid gekost heeft.

Ik ben gelukkig. Monseigneur, U te kunnen melden, dat wij er in geslaagd zijn, onze dierbaarste wenschen vervuld te zien : namelijk, onder onze kinderen de H. Kindsheid, sinds verscheidene jaren verlaten, weder op te richten. Ondanks de armoede onzer kleine Malgachen hebben wij 125 leden kunnen vereenigen, en, te oordeelen naar den geestdrift, waarmede ons voorstel werd begroet, mogen wij hopen, dat het volgende jaar nog vruchbaarder zal- zijn.

Vele kleine offers, van God alleen gekend, zijn noodig geweest, om aan die arme kinderen die bescheiden bijdragen mogelijk te maken. Hoe vele beroovingen hebben sommigen zich niet moeten getroosten, daar zij veelal over niet meer dan een stuiver kunnen beschikken voor hun karig maal. Gansch verheugd kwamen die arme kinderen hun stuiver aan de onderwijzeres brengen, zeggende ; „Zuster ik kreeg heden een stuiver voor een mofo (klein Malgach brood), maar ik sta het af voor de kleine Sineezen.” Mogen de goede engelen dier brave kinderen hen in zulke schoone gesteltenissen bevestigen. Wij hebben gemeend, een klein feest, hoe eenvoudig en bescheiden ook, te moeten geven. Dit feestje, bracht ons volkje in een zeer vroolijke stemming.

’s Zaterdags, 10 Augustus, na de Mis van 7 uur, waartoe al de 125 leden waren uitgenoodigd, regelden wij de processie. Het Kindje Jesus van Praag, op een versierde draagbaar, opende den stoet. Het beeldje werd gedragen door twee eerste-communicanten in het wit gekleed, met