is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 59, 1909, no 349-354, 1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen twee kleine meisjes aan de deur van ons weeshuis kloppen. Zij waren nauwelijks gekleed, beefden van koude en waren vuil en overdekt met ongedierte. Wij ontvingen haar met vreugde ; maar de arme kinderen, die nooit hunne bergen hadden verlaten, zetten groote oogen op en waren zeer bevreesd op het gezicht der witte Zusters, die hen zoo liefdevol opnamen. De oudste, als een moedertje, hetwelk vreest, dat men haar heur kind zal ontnemen, trachtte haar zusje in de plooien harer lompen te verbergen ; maar ze begrepen weldra, dat de missionarissen haar slechts goed wilden doen en daar spoedig hare vrees in groot vertrouwen veranderde, verhaalden zij aldus hare geschiedenis.

Zij waren in de bergen van arme ouders geboren; de vader, een slecht christen, niet meer kunnende voorzien in de behoefte van zijn talrijk gezin, besloot haar aan de heidenen te verkoopen ; maar de moeder, eene tamelijk goede christin, en die hare kinderen beminde, dacht aan den missionaris en bracht hem de beide kleinen, die werden opgenomen in dien ijzigen Januari-nacht. Des anderendaags had er een heele verandering plaats: de beide kinderen waren niet meer te herkennen, en ’t was aardig om te zien, hoe zij elkander bekeken alsof zij vreemdelingen waren

Beiden zijn zeer lieve kinderen, de oudste vooral heeft een meer dan gewoon verstand; zij zijn werkzaam en beminnen de zusters zeer. Indien nu en dan de vraag gedaan wordt, of zij naar de familie terug willen keeren, haasten zij zich te antwoorden : „Neen, neen ! hier hebben wij het beter.”

Ziehier nog een stichtende trek uit de vervolging van 1900.

Op dat ongelukkig tijdstip werden al onze maagden en kinderen in de gevangenis van Tai-jun-foe geworpen, waar zij niet minder dan twee lange maanden verbleven, door hitte en honger gekweld. Men gaf haar slechts zooveel voedsel als noodig wag, om niet te sterven van honger.