is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 59, 1909, no 349-354, 1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijpelijk over nagedacht en daarbij, evenals bij alle gewichtige daden, eene wijze langzaamheid aan den dag gelegd. Overigens bijna alle menschen zijn als vol teederheid voor het lijden der pasgeborenen; men ondervindt een meer gevoelig medelijden met het zwakke kind, dat zich onmachtig verzet tegen de wreedheid van den dood. Men treurt over de onmogelijkheid, het in zijn lijden krachtdadig te hulp te komen.

Ook onze geneesheer had al het troostende begrepen, dat in de wedergeboorte van het kind door het doopsel ligt opgesloten. Hij gevoelde zich getroost door de gedachte, krachtdadig die onschuldige schepselen te kunnen helpen, door hun eene eeuwige zaligheid te bezorgen en het geluk „neder te zitten op het blad eener waterlelie,” waarin voor een heiden het hoogste geluk bestaat. Met genoegen had hij ook vernomen, dat hij, ofschoon een heiden, het doopsel wettig kon toedienen. Hij begon dan ook werkelijk al de in doodsgevaar verkeerende pasgeborenen te doopen, volgens de voorschriften der kerk. Deze voorschriften had hij nauwgezet geleerd bij een christen, een zijner vrienden en jaarlijks doopte hij veertig a vijftig kinderen.

Bij den oogsttijd maakte hij door tusschenkomst van een ander het aantal zijner doopsels bekend aan den priester der naburige parochie. Deze bracht ze over op de registers, welke elk jaar aan den Superior der missie worden aangeboden. Dat was de „naamlooze gift.” Hij maakte liefst zijn naam niet bekend, zijn natuur verzette zich tegen de openbaarmaking en zoo voegde hij bij de akte der verdienste ook die der ootmoedigheid.

Dit geval is niet eenig. Ik zou U nog een voorbeeld kunnen aanhalen van een ander geneesheer, heiden evenals de vorige, afkomstig uit het dorp Rien, provincie Phuly en van een heidensche vroedvrouw, insgelijks uit Namksang. De eerste zag zich reeds hier beloond : vóór zijn dood ontving hij het H. Doopsel. Welke schaar van engelen