is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 59, 1909, no 349-354, 1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pater, sprak Gabriël, als men de waarheid erkent, moet men onverwijld den godsdienst omhelzen en daarmede niet uitstellen; dat ware te gevaarlijk.”

Dit laatste vooral trof het hart van Viracudti, die zich echter onverschillig aanstelde en den anderen kant uitzag, ofschoon hij toch oplettend toeluisterde.

„Pater, hernam Gabriël, veronderstellen wij nu, dat ik op weg naar huis slechte makkers ontmoet, dat ik niet naar hen wil luisteren, dat zij boos op mij worden, mij slaan en dooden. Wat staat mij daarna te wachten?

Mijn engel, daar gij alzoo den dood zoudt ondergaan ter verdediging uwer deugd, om niet te zondigen, zoudt gij een martelaar zijn. Ik zou op uw graf komen bidden en gij zoudt U mijner gedenken, hoop ik.

Ja, Pater,

Dierbare Gabriël, ik geloof, dat dejmeeste missionarissen een dusdanigen dood zouden benijden. Zij zouden gaarne sterven, om hunne liefde tot God en de menschen te toonen.

Ach ! Pater, wat heeft de goede God ons dan toch veel bemind; geen der heidensche góden is voor de menschen gestorven. Hunne góden zijn geen góden, maar duivelen.

Daarop vertrokken de beide kinderen. Ik was trotsch op mijn Gabriël: ik wist wel, dat hij mij deze vragen slechts gedaan had, om zijn heidenschen vriend een les te geven zonder hem rechtstreeks aan te spreken. Onderweg zei hem de kleine heiden ;

„Gabriël, waarom deedt gij al die vragen aan den Pater ?

Wel, om het te weten.

Ik denk zeker, dat gij het met opzet deed, omdat ik er bij was.

Kijk, Viracundti, zulke goede raadgevingen heb ik niet altijd ontvangen, anders zou ik vroeger niet zoo slecht geweest zijn, en zeker zou ik mij eerder bekeerd hebben. Gij