is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 60, 1910, no 355-360, 1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wij niet gemakkelijk bij zekere zieken kunnen binnendringen. Daar zij uit deze streek afkomstig zijn en de gebruiken des lands kennen, kunnen zij zeker een groeten invloed op de heidenen uitoefenen.

Verleden maand hebben wij een melaatsch meisje opgenomen van tien jaren en beboerende tot een christen huisgezin. Arme kleine 1 Mijn hart brak van medelijden, toen ik haar zag. Sinds twee jaren is zij door de knobbelige melaatschheid aangetast en de ziekte heeft vreeselijke verwoestingen op haar tenger lichaam aangericht. De ledematen vallen, het eene na het andere af; nochtans is zij de vroolijkste onder onze kinderen.

Op zekeren dag was zij een oogenblik droevig bij het afsterven van een onzer melaatschen. Van af haar bed volgde het kind angstig de gebeden der stervenden.

Op eens brak zij in tranen los; ik ging tot haar, om de reden harer tranen te kennen. „Ach, zeide zij, ik denk aan mijne moeder toen zij naar Onzen Lieven Heer gegaan is. De missionaris zei mij toen dat zij mij weldra zou komen halen ; en ach ! zij heeft mij vergeten ! Zij wil mij niet meer 1 Ik ben alleen op de wereld !”

Steeds overvloediger vloeiden haar tranen. Inderdaad, hare moeder was voor twee jaren aan de melaatschheid bezweken. De vader, een opiumrooker, had sinds lang het huis verlaten en bij die gelegenheid het weinige, dat er nog in huis was, medegenomen. Het kind heeft hem niet meer teruggezien.

Een ander onzer melaatschen nadert ook het hemelsch Vaderland. Haar vader, een grijsaard van zestig jaren, heeft ons als een gunst verzocht haar als verpleger te mogen dienen. Dag en nacht is hij bij de lijdensponde, aandachtig als eene moeder, en trachtend op alle manieren zijn kind te helpen.

Op 7 Juni is ons voorloopig kapelletje gewijd geworden.