is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 60, 1910, no 355-360, 1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons oudje, na betrekkelijk korten tijd ziek werd, dienden wij ook haar het H. Doopsel toe, hoewel zij nog niet zoover in de kennis van den godsdienst gevorderd was als wij anders van onze geloofsleerlingen vorderen. Nu was zij buiten zich zelf van vreugde. „Mijn God, ik dank U” zoo herhaalde zij telkens, „laat mij nu sterven. Ik heb lang genoeg geleefd, geef mij den hemel!” Toch zou zij nu nog niet sterven. Eenige dagen nadat zij was gedoopt, bezochten haar de Eerw. Zusters. Opnieuw gaf zij hare vreugde te kennen dat zij nu een kind van God was en de hemel haar toebehoorde, enz. Opeens vraagde zii of de Zusters nog niet een weeskind zouden kunnen opnemen. „Hij staat zoo alleen op de wereld, sprak zij, en hij is heel arm.” „Laat den knaap maar komen, antwoordden de Zusters, dan zullen wij hem meenemen.” Een der aanwezigen riep den „knaap” en er verscheen een man met een langen baard. Toen de Zusters over zulk een weesje begonnen te lachen, bracht het zieke oudje in het midden ; Ja, hij heeft toch wezenlijk geen ouders meer !”

In ’t begin van den zomer werd het vrouwtje opnieuw ziek en van deze ziekte zou ze sterven. Zij ontving de laatste H. Sacramenten en den dood nabij, sprak zij : „Ja, Swami, nu ga ik werkelijk hemelen ! En zij vervolgde: „Heer, ontferm U mijner, mijn geloof in U is groot.” Zonder twijfel heeft Onze Lieve Heer haar groot geloof in den hemel overvloedig beloond.

Hare heidensche kinderen eerbiedigden haar laatsten wensch en lieten haar als christin op ons kerkhof begraven. Na die begrafenis bad haar jongste zoon in het weeshuis te mogen blijven. In ons heidensch dorp gaan wonen, sprak hij, dat kan en wil ik niet. Werkelijk werd de jongen opgenomen en thans is hij een voorbeeld van gehoorzaamheid en godsdienstigheid.

J. V. D. Westelaken.