is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 60, 1910, no 355-360, 1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goede twintig jaren, die nooit in een missiegesticht verbleven had en dien ik niet kende. Ik moest dus wel inlichtingen nemen.

Zoo, mijn vriend, gij heet Maurits?

Zeker, ’t is een christen naam ; het dorp heet Elunu, van daar mijn naam Maurits Elunu.

Gij zijt dus gedoopt ?

Zeker.

Op de missie ?

Neen.

Maar door wien dan ?

• Door mijn kleinen broeder Edward

Zoo, vertel mij die zaak eens, zij boezemt mij belang in.

Wij zetten ons neder en Maurits begint.

Toen mijn kleine broer Edward uit de Missie terugkwam, vroeg ik hem, wat de „Missie” hem geleerd had tijdens zijn verblijf op de Missie. Dan vertelde hij mij, dat men, door op papier, in het zand of waarop ook, dooreenloopende lijnen te maken, woorden kon schrijven, die men' tien jaren later nog lezen kon. Doch dat vond ik te moeilijk. Hij toonde mij ook, hoe men met andere lijnen kon tellen zonder zijn vingers te gebruiken ; maar dat vond ik te lang. Eindelijk sprak hij mij van een boek „duma” dat hij had medegebracht en hetwelk hij catechismus noemde. Ik verstond dadelijk, wat daar in stond; eiken* dag leerde hij mij daaruit iets, wat ik in mijn hoofd prentte. Het was heel schoon. Het geleerde verklaarde mij menige zaak, die ik nooit begrepen had.

Eindelijk, toen het boek uit was, verklaarde mij Edward, dat hij niets meer wist. Toen zei ik hem :

Volgens dit boek moet gij mij in geval van nood doopen.

Hij antwoordde mij;

Als het maar op doopen aankomt, goed, ik kan doopen.