is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 61, 1911, no 361-366, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kuen zal hoogstens nog enkele uren leven. Adieu Sjoeang-Ki.”

De trotsche Dubbele-Vreugde verootmoedigde zich eenigzins en riep haar terug :

„Hoe zal ik het aanleggen, om de begrafenis-niet te moeten bekostigen ?”

Laat het kind naar de Europeesche Zusters brengen.

Die raad werd gevolgd. Een kwartier later was de slavin bij ons.

Eerst was zij beangstigd en keek wild rond, maar spoedig vermande zij zich en vertelde ons al snikkende hare geschiedenis.

Zal men mij nu nog slaan, vroeg zij met eene onzeggelijke uitdrukking van afmating,

Neen, neen, kleine Kuen, de Europeesche Zusters slaan de kinderen niet.”

Daags na hare aankomst gevoelde Kuen zich niet wel. Haar opgezwollen been, eerst verlamd, verviel tot verrotting van boven tot onder de knie, er was geen hoop op genezing.

Hare smarten waren ontzettend en toch klaagde zij niet; nu en dan slechts viel haar hoofd, door de pijn overwonnen, op het oorkussen neder.

Wij spraken haar van den goeden God, van Jesus, den goddelijken Verlosser, en de ziel der arme kleine kreeg smaak in het lijden van den goddelijken Gekruisigde.

„Hij is geslagen! zegt gij, geslagen zooals ik! ja nog meer dan ik, en, zulks voor de zonden der menschen ! Ik wil zijn kind en het kind zijner Lieve Moeder worden !”

Aan het verlangen van Kuen werd voldaan, en daar haar deerlijk gekneusd lichaam deed denken aan de afgrijselijke folteringen der martelaren, gaven wij haar bij oen doop den naam van Maria Catharina.

Mana Catharina leefde nog twee dagen en droeg gedurende dien tijd hare wreede smarten aan den goeden God