is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 62, 1912, no 367-372, 1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

Uittreksel uit een brief van zuster Maria-Rozina Bonftomme, religieuze der Voorzienigheid, uit de Missie van Zuid-Mantchoerijen, aan Mgr. den algemeenen Directeur.

MONSEIGNEUR.

Een ongeluk komt nooit alleen. Dit hebben wij hier ondervonden. Ik ben zoo gelukkig U te kunnen melden, dat wij dit jaar 4340 doopsels van heidensche kinderen hebben, circa 1000 meer dan verleden jaar.

Wij danken het gedeeltelijk aan eenige besmettelijke ziekten, die in de lente hier heerschten, maar toch vooral aan den doortocht der uitgewekenen, die door een vreeselijke overstrooming genoodzaakt werden Hoe-Pei te verlaten ; verscheidenen dagen achtereen ontscheepten zij hier bij duizenden, door allerlei ziekten aangetast; zij waren als samengepakt in afgezonderde ruimten der schepen en niemand had toegang tot hen. De ongelukkige menschen zagen er erbarmelijk uit; onze doopster kon echter, dank de welwillendheid van een christen soldaat, die haar beschermde op een avond tot hen doordringen. Zij kon het werk alleen niet af en moest helpsters hebben ; het waren wel moeitevolle dagen, maar ook welke vreugde, ’s avonds aan 15 a 20 kinderen het H. Doopsel te hebben toegediend.

Het aantal kinderen, in onze weeshuizen opgenomen, laat ook niets te wenschen over; eenigen echter bleven er maar zeer kort om daarna hun vlucht naar den hemel te nemen.

Slechts over twee dezer bevoorrechte kinderen, wier bestaan aan den duivel gewijd was, wil ik u spreken.

Het eerste, zeven jaren oud, werd door eene, ik weet niet welke gelukkige omstandigheid in ons weeshuis gebracht ; want hare ouders, wel verre van haar te mishandelen, kleedden en voedden haar behoorlijk. Het meisje was verstandig en had een gelukkige inborst. In twee