is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 64, 1914, no 379-384, 1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woonten ik min of meer heb aangenomen. Hoe zou ik nu nog in ’t publiek tot Pransche, ja, tot Parijache kinderen durven spreken ?

Maar mijn aarzeling was van korten duur; vooreerst omdat ik zooveel van kinderen houd; bij hen voel ik mij op mijn gemak, en verder meende ik de gelegenheid niet te mogen laten ontsnappen, om midden in Parijs, mijne bewondering en dankbaarheid te tonnen voor het werk der H. Kindsheid, de groote weldoenster der Missiën in ’t algemeen en van de mijne in ’t bizonder.

IN ’t LAND DER MARTELAREN.

Eerst wil ik voorstellen mijn missie en hare eerste Christenen, kinderen zooals gij. Hun heldenmoed in den dood heeft aan hun vaderland den schoenen naam doen geven van „land der zwarte martelaren.”

Vervolgens zal ik u doen zien, hoe wij, gesteund door de genade en geholpen door uwe stuivertjes, van een ruwen heiden een leerling van Jezus Christus maken, een beschaafd mensch, een ijverig helper der missionarissen en zelfs een priester des Allerhoogsten.

Het Bisdom, of liever het Apostolische Vicariaat, dat sinds 17 jaren aan mijne zorgen is toevertrouwd, is zoo groot als Frankrijk en België samen. Het omvat vijf koninkrijken. Het schoonste dier koninkrijken, de edelsteen om zoo te zeggen van mijn missie, heet Oeganda. Om er te komen, moet men eerst naar Marseille gaan, daar scheept gij u in en na 18 dagen varens stapt ge uit te Mombaza op de kust van den Indischen Oceaan.

Diep het land in, 1200 kilometer ver, ligt een groot meer, dat heet: Victoria-Kyanza.