is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 68, 1918, no 403-408, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En reeds koesterde hij het plan van een rijk huwelijk, zeer rijk, dat zonder twijfel de stand zijner familie nog zou verheffen. Maar het waren slechts droomen...

Niettegenstaande Hoi-oua grooter werd, behield zij altijd haar karakter van kind. Men verwonderde zich over hare grillen, men bewonderde haar veranderingen van humeur: zij sloeg plotseling zonder reden van de uiterste droefheid over in een schaterlach. Haar zonderlinge toestand boezemde in den beginne medelijden in, vervolgens tegenzin, ten slotte verachting.

Eens na een hevige en grillige vertooning, twijfelde men geenszins meer aan den toestand van de ongelukkige.

„Ach I die dochters I riep de vader uit. Had ik geen gelijk te denken dat zij een ongeluk zijn !”

Voor Hoioua werd het een noodlottige dag. Van dezen dag af werd het meisje voor de haren een voorwerp van afschuw. Hare broeders begonnen zich ten opzichte van haar wreed te toonen. Op zeker oogenblik besloten zij haar te doen sterven. Eén was er echter die er niet in toestemde, het was de moeder; en men 'luisterde naar haar.

Maar weldra begon het geheime martelaarschap; dagelijks, bloedig. Het kind werd beschouwd als een nuttelooze kostganger; men onthield haar het noodige voedsel; hare legerstede was te zacht voor een onnoozele ; men bedekte ze met gebroken potten; en Hoi-oua uitgeput door het vasten, genoot geen andere rust dan dit smartelijke bed. Zij strekte er zich aanvankelijk zonder argwaan op uit, terwijl zij een oogenblik de wreedheid harer beulen vergat. Maar weldra deden zuchten, smartelijke kreten haar broeders begrijpen dat hunne kwellingen doeltreffend waren. Op zekeren dag krijgen zij het vernuftig gedacht Hoï-oua bij de duimen aan een boom op te hangen. Het jonge meisje wrong zich in allejichtingen, terwijl ze bittere smartkrer ten deed hooren.

Echter was Liéou, de meest verwoede der drie broeders nog geenszins voldaan. „Men zou het nog beter kunnen doen,” zei hij. En men zocht naar andere middelen.