is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 68, 1918, no 403-408, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grootmoeder ik wil niet.

Wij zullen u uithuwelijken aan een man van een hooge kaste en u schoone feesten geven!

Maar ik ben christin, riep de kleine uit, ik wil dien echtgenoot niet.”

De goede oudjes begrepen er niets van, dan alleen dit, dat Paravedie weigerde met hen mee te gaan. Zij beproefden haar te winnen door liefkozingen, door de meest lieve namen. Toen zij haar genoeg ontroerd waanden, vroegen zij haar:

„Gij ziet hoe dierbaar gij ons zijt. Wat denkt ge van onze liefde voor u?”

Het verbaasde meisje antwoordde met een ernst boven hare jaren:

„Ik denk, dat ge mij voor een godin houdt en ik ben slechts een klein meisje; ik wil wel bemind maar niet aanbeden worden.

Wij beminnen u, kom

Neen, ik ben christen en wil bij de Tayarees blijven !”

De twee Indiërs waren zeer bedroefd; Peravedie, wier goed hart hunne smart begreep, beproefde ze te troosten. „Gij wilt mij meenemen om mij gelukkig te maken, is ’t niet ?

-Ja!

Welnu ! omdat gij mijn geluk zoekt, laat mij in het klooster; ik gevoel mij daar zeer gelukkig.”

Grootvader en grootmoeder keken elkaar besluiteloos aan.

„Houd ze Tayaree, zeiden zij eindelijk: Dat zij uw kind zij, bemin haar dus.” En zij vertrokken. Nauwelijks waren zij enkele schreden de straa op, of Paro sprak hen aan, zij had lucht gekregen n hunne komst en hunnen pogingen: Waar is het kind?

Zij wil in het klooster blijven.

Ge moet ze daar niet laten. Vertrouw ze mij toe, ik zal ze als mijn eigen dochter opvoeden.

Paravedie is zeer vastberaden: zij zal de Tayarees nooit verlaten.