is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 69, 1919, no 409-414, 1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het volk en de kinderen gaven. Wat hij hier van de Paters hoorde, was voor den jongen heiden geheel nieuw, en diep werd hij getroffen door de waarheden van ons heilig geloof. Op zekeren dag kwam hij bij den missionaris en zei:

„Ik wil mijn ziel redden ; ik wil den waren godsdienst aannemen. Wanneer kunt u mij doopen ?”

De priester antwoordde, dat het H. Doopsel met ernst geschieden moest; men moest eerst den godsdienst goed kennen en aan alle heidensche verkeerdheden verzaken.

„Dat weet ik,” antwoordde de jonge man; „ik heb alles ernstig overwogen ; ik wil maar één ding ; mijn ziel redden.”

„Maar je hebt ons verteld, dat een enkele booze luim van den koning alle christenen het leven kan kosten, en toch wil je gedoopt worden ?”

„ja,” antwoordde hij, „de koning kan doen wat hij wil, maar ik wil mijn ziel redden.”

Wat dunkt u, beminde lezers en lezeressen, van zulk een godsdienstige heldhaftigheid, en dat reeds vóór het Doopsel?

HET GELOOF DAT VREUGDE GEEFT.

In Japan ligt een stad die Morioka heet. Daar had zich een meisje tot het katholiek geloof bekeerd, maar kort na haar Doopsel werd ze ziek. Een ziekenzuster kwam haar bezoeken en zei, dat ze misschien wel sterven zou. „Ha!” sprak ze vroolijk, „dan ga ik naar den hemel.” Dikwijls zei ze : „Wat verlang ik toch om spoedig daarboven bij Onzen Lieven Heer te zijn!” Toen ze ging sterven, gaf ze aan al haar huisgenooten de hand en nam afscheid van hen. Daarna breidde ze de armen uit en riep : „Hoezee, nu gaan we 1” Met dezen uitroep van vreugde stierf ze.