is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 70, 1920, no 415-420, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een groote misdaad. Joseph Tchang werd met die moeilijke taak belast en hij bracht het er uitstekend af.

„O, Pater,” zei hij tot den missionaris, met wien hij die overblijfselen van die bloedgetuigen behandelde, „o, ais ik ook eens martelaar worden kon!”

Daar deugt ge in ’t geheel niet voor, zei de Pater lachend.

Ik geloof toch, dat er in den hemel wel zijn, die op aarde nog minder deugden dan ik; maar dat geeft mij juist hoop. Ik hoop dat O. L. Heer mij de genade geeft om alles met één streek uit te wisschen.

Jozef, hoor eens hier. Dit is de regel: men moet den marteldood niet vreezen, maar hem ook niet zoeken. Wij moeten werken, zoolang wij kunnen aan de uitbreiding van het Rijk Gods en er niet ai te veel bezorgd om zijn, of wij martelaar zullen zijn of niet.

’t is waar, pater, maar ik ben nergens goed voor; ik durf niet te hopen eens priester te worden; ’t best was, dat O. L. Heer maar een martelaar van me maakte.

Nog zoo dom niet I

Op deze wijze ging schertsend het gesprek eenigen tijd voort. Hij werd eindelijk op ’t Seminarie toegelaten, om de Theologie of Godgeleerdheid te studeeren. Hij hield van de H. Kindsheid, en daar hij wat van geneeskunde wist, bewees hij soms onschatbare diensten. Ais hij ging wandelen, had hij altijd zijn pilledoos, maar ook doopwater bij zich.

JAN BAPTIST LO

Deze was geboren in 1825 uit heidensche ouders; hij kende Chineesche letterkunde en was eenige jaren schoolmeester. Toen hij 30 jaaroud was, werd hij Christen en een jaar daarna werd hij gedoopt.

Hij was zacht van karakter en legde overal twisten bij. Ook hij was een ijverig medewerker der H. Kindsheid in het doopen van stervende kinderen.

Twee jaar na zijn bekeering belastte hij zich, hij de letterkundige en schoolmeester, met de boerderij van het Seminarie. Hij werd de rechterhand van den Overste, den Eerw. Heer Payan. Hij deed de inkoopen van voedsel en bouwmaterialen.

MARTHA OUANG.

Mgr. Faurie moest eens voor de vervolging vluchten en zich verbergen op het platteland, diep in de provincie. Daar in zijn eenzaamheid ontmoette hij een eenvoudige weduwe, die bij den pachter, waar Mgr. Faurie schuilde, op bezoek kwam. „Mijn catechist,” schrijft Mgr. Faurie, „begon