is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 70, 1920, no 415-420, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de maand December ging Mgr. Faurie naar Tsin-gay en zag in de verte een persoon naderen gewapend met een groote lans. De persoon naderde en Mgr. zag toen, dat het niemand anders was als Martha Ouang, die neerknielde en een groot kruis maakte.

– Maar, Martha, waar gaat ge zóó naar toe ?

Naar de hoofdstad, het doopsel vragen.

Maar waarvoor die lans ?

Wel, men zegt, dat er roovers in de buurt zijn.

Wat zoudt ge tegen roovers met een lans doen ?

O, zei ze en zwaaide haar wapen zóó, dat het paard van Mgr. er bijna van schrok, als er maar twee of drie zijn, dan ben ik er niet bang voor; dan zullen ze geen duurte meer in ’t land brengen.

Ze ging naar de stad en werd er daags voor Kerstmis gedoopt.

Een paar jaar daarna bood zij hare diensten aan de missionarissen aan en bewees hun en aan de H. Kindsheid kostelijke diensten. Zij werd vooral gebruikt om de kinderen in het weeshuis te verzorgen, d. w. z. voor die kinderen, die te groot waren om bij voedsters uitbesteed te woiden en nog te klein om naar school te gaan.

Ze verzorgde die kinderen als een echte moeder met alle liefde en toch met alle zuinigheid. Brak ze een ei of iets anders, dan betaalde ze het ongevraagd uit haar eigen zak. Want van het geld der Missie iets verknoeien, neen, dat nooit! Zè dat dat geld van de aalmoezen der geloovigen uit Europa kwam; „dat was heilig geld,” zei ze.

In 1850 werd ze op verzoek van den Eerw. Heer Payan keukenmeid op het Grool-Seminarie, totdat de vervolging uitbrak, het Seminarie verwoest werd en Jan Baptist Ló, de huismeester, Paul Tchen, de filosoof, en Jozef Tchang, de Theologant, werden gevangen genomen.

Aan vluchten dacht ze echter niet, maar bleef in de stad Tsin-gay wonen, om dichter bij de gevangenen te zijn en hun, zelfs met gevaar voor haar leven, alle mogeiijke hulp te verleenen.

DE VERVOLGING.

In 1852 kwam er burgeroorlog in China. De regeerlng werd wantrouwig en maakte het op alle manieren den Missionarissen lastig. In 1861 werd benoemd tot hóófd der troepen, de generaal Tien-Ta-jen, een jonge man van 23 jaar, klein, zenuwachtig, met fonkelende oogjes, in naam althans zeer dapper. Men dacht, dat hij de opstandelingen wel in bedwang zou houden. Weldra echter ontpopte hij zich als een tiran, en een volslagen hater van al wat Christen was. In de eerste dagen van Juni kwam op bevel van Tien-Ta-jen een afdeeling soldaten het Groot Seminarie om-