is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 70, 1920, no 415-420, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Liever niet, beste jongen. Vader heeft al gezegd, dat je over 14 dagen mee moet naar de mandenmakerij. En je weet wel, als vader iets wi1...”

’t Viel den armen jongen koud op ’t lijf. Naar de mandenmakerij ! ’t Kropte in z’n keel en twee groote tranen blonken in z’n onschuldige oogen.

Veertien dagen later was Frits al aan ’t werk. Van den morgen tot den avond moest hij sjouwen in den mandenmakerswinkel. Wissen aandragen, manden en korven opbergen, met den stootwagen manden en korven wegbrengen naar ’t spoor of de pakkerijen, dal was voorloopig z’n werk.

Hij deed z’n werk zooals ’t moest, maar met z’n gedachten was hij er niet bij. Hij leefde in ’t missieland bij de Paters en de arme heidenen ; hij dacht aan de belofte van Jezus en . .. missionaris moest hij worden. Kon hij geen priester meer worden, dan maar broeder... Maar liever zou hij toch gaan studeeren. Hij was altijd nummer één van z’n klas geweest.

Eigenlijk was h| al missionaris. Kreeg hij ergens ’n fooiJ dan vroeg hij aan moeder, o| hij die mocht bewaren vooi de missie. Daarvoor bewaarde hij ook z’n zondagcenten en z’n kermisgeld. In het hoekje van den zolder vlak onder de pannen stond z’n brandkast: ’n blikken bus, die hij goed wegstopte achter allerlei todden.

Van tijd tot tijd ging hij eens tellen en dan genoot hij, omdat de zaak zoo goed vooruit ging.

met den stootwagen manden en korven wegbrengen.

Anderhalf jaar lang had hij gespaard en toen was z’n bus tot boven toe vol.