is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 70, 1920, no 415-420, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ark en dacht, dat de regen mij niet aankon. Weldra echter begon het door het dak te druppelen, ik schoof mijn stoel opzij en ging verder van den drup zitten; maar de regen scheen er plezier in te hebben, met mij overal te volgen. Ten laatste was ik wel genoodzaakt onder het altaar te kruipen. Daar bleef ik onbeweeglijk liggen, als een echte martelaar en dacht aan de dagen der vervolging in de Romeinsche Catacomben. Ik was als een reliquie onder het altaar.

Bij het licht van den bliksem zag ik, dat mijn schuilplaats op alle punten was gescheurd; dak en muren lieten overal het licht door. Bij het flitsen van den weerlicht, zag ik tot mijn groote ontsteltenis, dat ik de deur opengelaten had. Ik keek juist naar dien kant... en verbeeld u mijn schrik,... ik zag dat een lange snuit voor de opening stond. Een onheilspellend gebrom drong tot mij door; ik verstijfde van schrik en was een marmeren beeld gelijk Er waren tijgers in den omtrek, dat wist ik, doch ik had er mij nooit erg ongerust over gemaakt. Nu ik er echter een in mijn kapel zag binnen gluren, gereed om binnen te komen, nu vond ik dat gezelschap verschrikkelijk. Om hulp roepen was heelemaal nutteloos: het waaide zoo hard, dat niemand mijn geroep zou gehoord hebben. Ik had voor alle wapenen niets anders als mijn lamp en de uitgave van „Het Geloof onzer Vaderen” van Kardinaal Gibbons. Dat meesterstuk zou zeker niet in staat zijn, om het dier de plaats te doen ruimen. Ik kon mijn oog niet van de deur afhouden en mijn hart bonsde hoorbaar. Maar er kwam geen beweging in het monster. Ik raapte al mijn moed bij elkaar; ik vond, dat die moed buitengewoon groot was, zeker door het gevaar, waarin ik me bevond (dat gebeurt me meer) ik vloog naar de deur en wat zie ik daar staan ?... Ja, een dier, maar geen tijger, ’t Was een kalf, dat druipnat met smeekende oogen naar mij opzag en nog banger was dan ik zelf. Het smeekte om binnen gelaten te worden.

En .... ik liet het binnen! Toen het onweer voorbij was.