is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 71, 1921, no 421-426, 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOE ELISABETH EEN ZWARTJE VRIJKOCHT,

’t Is een mooie dag in de Meimaand. De schoolmis is juist geëindigd. De kinderen begeven zich in de rij onder toezicht van hunne onderwijzeres naar de school. Daar verdeden ze zich volgens de klassen in hun eigen lokalen en nu worden de weinige minuten door de heel ijverigen benut om hunne lessen nog cens gauw te repeteeren—de minder vlijtigen praten. Daar staat zoo’n klaverblad bij de kachel. Ze fluisteren heel zachtjes en zetten heel ernstige gezichten ; „Ja ja, Elisabeth is gok niet zoo braaf als de juffrouw wel denkt; ik heb het zelf gezien, dat ze in de rij gepraat heeft en nu doet ze weer niets,” zei Roosje op gewichtigen toon. Het was haar reeds lang een doorn in het oog, dat Elisabeth haar altijd als voorbeeld werd voorgehouden. „En dan moet men altijd maar hoeren ; kijk Elisabeth eens, hoe vlijtig en lief die is ” De onderwijzeres kwam binnen. Alles gaat gauw naar z’n plaats. Het rekenen begint.

Er moet werkelijk iets bijzonders met Elisabeth gebeurd zijn. Nu heeft ze zelfs een som verkeerd gemaakt; zoo iets is nooit gebeurd, sinds ze naar school gaat. De onderwijzeres zegt niets over deze eerste fout. Toen Elisabeth echter bij de volgende les weer een antwoord schuldig bleef, zei ze streng : „Elisabeth, ge bent verstrooid, ga zitten.” Toen werd het engeltje heelemaal rood, want Elisabeth openlijk bestraft dat was nog nooit gebeurd. Het ondeugende klaverblad lacht in ’t vuistje. De antwoorden uit den catechismus kent ze ook niet zoo goed als anders. Haar vriendinnetjes zeggen vol medelijden . Elisabeth heeft een ongeluksdag. Maar dat was toch niet zoo. Ze was zeer gelukkig en keek ook, trots de vele ongewone terechtwijzingen, heel opgewekt. Nu zou ’t raadsel opgelosl worden.

„Heeft Elisabeth,” zoo vraagt na de catechismusles mijnheer Kapelaan, „jullie geen nieuws verteld ?” Allen kijken mekaar verwonderd aan; niemand weet iets. Aller blikken wenden zich vol nieuwsgierigheid naar Elisabeth, wier verlegenheid ieder